Op de vlucht

We doen weer mee

Achtendertig minuten zijn we nu onderweg. Ze zit naast me en leest de Telegraaf. Morgen staan wij er in, groot op de voorpagina. Voor minder doen we niet.

Ik zeg het tegen haar en ze lacht, verscholen achter de grote ochtendkrant. Het is die lach waar ik jaren geleden verliefd op ben geworden. Ik zou haar gelaatsuitdrukking blind kunnen uittekenen. Zoals ze dat bij de politie doen, op zoek naar die ene persoon. We hebben haar gevonden, commissaris, en we laten haar nooit meer gaan.
‘Reken maar dat ze over ons schrijven,’ zegt ze en ze probeert de krant op te vouwen. Het lukt niet, de Toyota Carola is te klein. Het wordt een vieze inktprop die ze moedeloos op de achterbank smijt, naast de tas waar het vandaag allemaal om draait.
Tussen twee popliedjes door noemen ze ons op de radio. Niet bij naam, niet eens onze initialen, maar toch voel ik een raar soort trots. Een beetje zoals ik vroeger ook had toen de filelezer het knooppunt oplas waar wij al een half uur muurvast stonden, onderweg naar het strand. Wij doen mee, Nederland.

De TomTom bevestigt mijn zelf geschreven instructies. Hier de snelweg af. Een paar kilometer verder, aan de bosrand, stappen we uit. Voeten in de sneeuw, adem zichtbaar naar de hemel. De sneeuw werkt als een demper op een pistool. Zowel leven als dood gaat hier hand in hand met de immense stilte.
Ik kijk naar de oude bomen, stoer overeind onder elke omstandigheid. Een klassiek bos. Zo’n eentje waar je vroeger met je vriendjes het liefst de hele dag oorlogje in wou spelen. Genoeg beschutting, ruimte voor een hut en weinig hond uitlatende pottenkijkers. Pang. Raak. Jij bent dood. Morgen weer?
‘Vergeet de tas niet,’ zeg ik als ze aanstalten maakt om naar de Volkswagen Polo te verkassen.
Ze kleurt rood. Over haar nonchalante houding hebben we al vaak ruzie gehad. Veel te vaak, als je het mij vraagt.
Ze duikt over de passagiersstoel en grist de tas van de achterbank.
‘Hebbes! We kunnen!’
Ik snuif en steek een sigaret op. Marlboro, het is feest vandaag.

In de stilte van het bos overdenk ik de volgende stappen van het plan nog eens. Het plan waar we wekenlang aan geschaafd hebben. Ze durfde eerst niet. Wat als het misgaat? Ja, wat dan? Alsof dit wat we nu hebben zo geweldig is. Niemand die naar ons omkijkt. We hebben geen keus, hoe vaak ik heb dat niet gezegd? Met de rug tegen de muur. We moeten godverdomme toch wat, Emily!
Rustig loop ik om de Toyota Carola heen. Mijn voetafdrukken in de sneeuw als een ketting.
Maar dit gaat niet mis. Zeker weten van niet. Voorbereiding is alles. Vandaag geen knooppunten.
Vanochtend hebben we Jamie bij mijn moeder gebracht en zijn we direct doorgereden naar de binnenstad. Levering om acht uur, elke woensdag. Het ging als in een film. En die bewaker… Ja Jezus, wat had ik dan moeten doen?
Met een ruime boog gooi ik de lege jerrycan in de sloot. Precies genoeg.
Nog een peuk.

Wanneer ik achter het stuur van de Volkswagen Polo zit en de motor stationair heb lopen, kijk ik haar aan. Dat trekje rond haar mond, ze is zenuwachtig.
‘Zullen we dan maar?’
Ze knikt en ik schiet mijn sigaret naar de Toyota Carola. Vrijwel meteen staat de wagen in lichterlaaie. Na een stevige dot gas zien we in de achteruitkijkspiegel de boel ontploffen.
Over driehonderd meter linksaf.

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *