Chocolade

Alles blijft hetzelfde

Mijn opa is verhuisd. Hij woont nu in een aanleunwoning met een speciale rollatorstalling en er is elke vrijdag gymnastiek.

Alles blijft hetzelfde’, hadden zijn kinderen hem beloofd. Ze hadden gelijk: in de kamer staat hetzelfde wanstaltige wandmeubel als altijd en op de bijzettafeltjes liggen kleedjes die oma ooit heeft gehaakt.

‘Hoe gaat het, opa?’, vraag ik.
‘Wat?’
‘Hoe gaat het met u?’
‘Goed, goed.’ Hij kucht. ‘Alleen die longen, hè.’

Wanneer mijn ouders vroeger ‘wat tijd voor zichzelf’ wilden, ging ik een weekend naar opa toe. Dan leerde hij me schaken en propte hij me vol met dingen die ik thuis nooit kreeg.
‘Welke dag is het vandaag?’ vroeg opa soms plotseling, midden tijdens een spelletje of als ik eigenlijk naar bed moest.
‘Zondag’, zei ik dan met glinsterende ogen, want ik wist wat er komen ging.
‘Zondag? Is het alweer zondag?’ Hij liep naar het wandmeubel waar zijn porseleinen doosje stond. ‘Zondag is chocoladedag!’
Vrijdag en zaterdag waren ook chocoladedagen. Doordeweeks kwam ik niet vaak bij opa maar ik vermoed dat hij ook dan het doosje tevoorschijn haalde. Een keer in de zoveel tijd kocht opa een nieuwe reep die hij in stukjes brak en opborg. Zo smaakte het veel lekkerder.

Opa haalt zijn gehoorapparaat uit zijn oor en prutst er wat aan.
‘Wat is die piep toch?’, vraagt hij. ‘Ik kan je nauwelijks verstaan!’
‘Zijn de batterijen soms op?’
‘Wat?’
‘Zijn de batterijen soms op?’
Geschrokken kijkt hij me aan. ‘Dat zou best eens kunnen.’

Op mijn blote voeten kwam ik ’s ochtends naar beneden, heel vroeg. Dan mocht ik kijken hoe opa zijn kunstgebit poetste. Hij keek me aan met een grote grijns, bewoog even met zijn kaken, en hop – had opeens zijn tanden in zijn hand. Zijn lippen vielen dan heel ver naar binnen en hij leek erg oud. ‘Zo kan ik er tenminste goed bij!’ zei hij terwijl hij zijn gebit schoon schrobde onder de kraan. ‘Veel handiger dan toen ze nog vast zaten.’

‘Hoe gaat het op gymnastiek, opa?’, vraag ik luid.
‘Dat is toch zo’n onzin’, zegt hij hoofdschuddend. ‘Elke keer lig ik weer in een scheur als die oudjes binnenkomen met hun rollators.’
Opa heeft geen rollator. Hij blijft nog liever binnen.
‘De gymzaal staat vol met stoelen. We moeten de oefeningen zittend doen omdat die bejaarden niet meer zo lang recht kunnen staan.’
Grinnikend laat hij zien hoe ze vanuit hun stoel hun tenen moeten aanraken. Hij komt net iets verder dan zijn knieën.

Na het poetsen kwam het scheren. Niet zoals papa dat deed, met een zoemend apparaat, want dat kende ik nu wel. Opa had zeep en een kwast. Hij sopte zijn hals en gezicht in met een dikke laag en ging er dan langs met een heel scherp mes. Vooral het begin, wanneer hij met dat mes langs zijn adamsappel ging, was bloedstollend. Na afloop werd het mes zorgvuldig opgeborgen bovenin het keukenkastje. ‘Dan kunnen de kinderen er niet bij.’

Opa pulkt aan zijn gehoorapparaat, ik aan een gehaakt kleedje.
‘Ik moet nieuwe batterijen hebben’, zegt hij meer tegen zichzelf dan tegen mij. ‘Welke dag is het vandaag?’
‘Zondag’, antwoord ik.
‘Zondag?’
Ik kijk hem aan en vraag me af of het porseleinen doosje de verhuizing heeft doorstaan.
‘Dan zijn de winkels dicht.’ Hij gooit het gehoorapparaat achteloos op tafel. ‘Hier heb ik dus ook niets meer aan vandaag.’

Door: Mirjam Brouwer

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *