Bijgeloof

Uitgeteld

In de auto zwijgen ze. Al 23 kilometer lang.

Hij had even gezocht naar een geschikte radiozender, maar had het ding al gauw uitgezet. Misschien gaat ze wat zeggen en dan is muziek enkel hinderlijk. Maar ze blijft stil.
Hij moet tanken en stuurt de Volkswagen de snelweg af.  Of hij iets voor haar kan meenemen uit het winkeltje. Geen reactie. Toch komt hij met een zakje M&M’s terug in de auto. Hij legt het op haar schoot. Niet eens een glimlach, laat staan een bedankje. Niks. Hij doet z’n gordel om en geeft gas.
Als de Volkswagen weer rond de 120 kilometer per uur toert, waagt hij nog een poging. ‘Wat is er toch, Wiske?’ vraagt hij, maar ze antwoordt niet. En dat terwijl zijn woorden zo zorgvuldig waren gekozen. Met die strip was het allemaal begonnen. Hij verkleed als Lambik, zij als Wiske. Carnaval, 2001, Roermond. Vanaf de eerste polonaise was het raak. Haar handen, zijn schouders.
Ze kijkt uit het raam en telt stilletjes de blauwe auto’s die ze inhalen. Vijftien, zestien, zeventien. Haar lippen bewegen langzaam bij elke verhoging. Als ik het niet doe, dan gebeurt er iets vreselijks met iemand in mijn familie, had ze hem ooit eens uitgelegd. Hij zei er nooit iets over. Kies je gevechten had zijn vader hem al bij zijn eerste vriendinnetje meegegeven als wijze raad.
Drieëntwintig, vierentwintig, vijfentwintig. Het is druk op de weg.
Ze frummelt aan de radio en stopt wanneer ze iets heeft gevonden. Een schreeuwerig popsterretje vervangt de doodse stilte in de Volkswagen. Ze zet ‘m harder, vreselijk luid. Zijn zwakke plek. Hij laat zich niet kennen en geeft gas. De Volkswagen gaat harder en harder, vastgeplakt op de linker weghelft. Als zij de volumeknop richting maximale oorbeschadiging draait, trapt hij het pedaal nog dieper in. De auto trilt gevaarlijk. Ze gaan sterven in deze blikken kist, hij weet het zeker. Stokdoof en morsdood gevouwen om de vangrail. Of frontaal op een vrachtwagen of over de kop door het weiland waar ze langs vliegen. Op slag dood. Een grote rouwadvertentie in de krant. Ze waren nog zo jong.
Als het liedje is afgelopen drukt ze de radio uit. Hij zakt weer langzaam naar de maximaal toegestane snelheid. Ze leven verder, in stilte.
Zesendertig, zevenendertig, achtendertig.
Hij stuurt de Volkswagen de oprijlaan op van haar vaders huis en zet de motor uit. Ze blijven zitten en staren naar de blauwe garagedeur. Het huisnummer staat er groot op geschilderd. Achtenveertig. De verf bladdert, het slot is verroest.
Ze draait langzaam naar hem toe en zucht. Hij wil het oplossen, maar weet niet hoe. Haar hoofd op zijn schouder.
En ze zwijgen.

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *