Amsterdam

De stad van hun liefde

De stad was van haar, alleen van haar. Daar was ze aan gewend geraakt.

Het was voor haar niet meer dan normaal dat alleen zij de zwerver op haar plein opmerkte. Dat alleen zij in de gaten had dat hij elke dag rond de klok van twee zijn joint rookte op het bankje naast de schommels. Een half uur later schuifelde hij dan weer verder, luid hoestend en rochelend.

De krantenjongens die zich elke ochtend verzamelden op het stoepje voor haar deur. Voor haar was het niet meer dan normaal dat ze alleen haar liefkozend ‘kankerhoer’ noemden. Het hoorde er nou eenmaal bij, bij haar Amsterdam. Net zoals tram 7 die ze altijd nam als het regende en ze moest werken. Of tram 14, naar het Rembrandtplein. Haar vervoer uit Oost, de rest van haar Amsterdam in.

Ze hield van de stad. Van de grachten, van de vele fietsen, van de winkels, de restaurants en zelfs van de duiven, de zwerver en de krantenjongens.

Vanaf een bagagedrager zag de stad er heel anders uit, zo had ze onlangs ontdekt. Misschien was Amsterdam zo nog wel mooier. De Dam en al haar toeristen trokken in een razend tempo aan haar voorbij en alles wat ze daarvoor hoefde te doen was zich stevig vasthouden. Hij trapte.

Het had even geduurd, voordat ze zich stevig vast wilde houden. Het was tenslotte háár stad en hem delen met iemand die net zoveel van Amsterdam hield als zij, dat kon nooit goed gaan, zo dacht ze.

Hij nam haar mee naar het café dat hij ‘zijn café’ noemde: Café de Jaren. Ze bezocht hem in ‘zijn’ stadsdeel: Zuid. Ze brachten de zondagochtend door hoe hij dat graag deed: in de bibliotheek op het Oosterdokseiland. Het duurde even, maar na verloop van tijd besefte ze dat zij net zoveel van ‘zijn’ Amsterdam hield als zij van ‘haar’ Amsterdam. En toen hij opmerkte dat ‘die zwerver er echt elke dag om twee uur zit’ wist ze het zeker: Amsterdam was niet meer van haar alleen.

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *