Handstand

Herinnering aan de zomer

Het is vooral de warmte die ik mis.

Ik had het niet gedacht. Ik had niet verwacht dat toen hij wegging, toen we afspraken dat we feestjes waar we eerst samen heen zouden gaan, zouden vermijden en ik zijn Facebook ontvolgde om niet meer met hem geconfronteerd te worden, het de warmte zou zijn die ik als eerste zou missen. De veiligheid die het samenzijn met hem, of misschien wel het samenzijn met iemand bood. Mijn nieuwe huis voelt koud en leeg en moeizaam aan, hoeveel lenteboeketten ik mezelf ook cadeau doe.

Ik heb het geprobeerd op de voor de hand liggende manieren: alle seizoenen van Friends opnieuw kijken en huilen als ze hun sleutels in het appartement achterlaten. Mezelf verbazen door een hele emmer Ben&Jerry’s in mijn eentje leeg te eten, drie dagen achter elkaar. Met mijn vriendinnen naar een drankhol in de Lange Leidsedwarsstraat en roepen dat ik toch beter af ben zonder man. Mezelf diezelfde avond nog in de armen storten van een jongen met een vochtig overhemd.

En toch blijft het koud.

Ik probeer te herinneren wanneer ik dit nog niet voelde, voordat hij er was, en ik blijf steken bij de zomer dat ik als kind in een landhuis logeerde en alles goed was. Wakker worden en de zon over de heiige velden zien strijken. Met mijn blote voeten in het natte gras, diepzwarte bramen plukken in de berm en direct in mijn mond stoppen. De handstand oefenen tegen de zijmuur van het landhuis. Al moest mijn zusje wel helpen met overeind houden. En ’s avonds bij de open haard in slaap vallen, met de wetenschap dat er altijd wel iemand was die een dekentje over me heen zou leggen.

Het zijn herinneringen die ik op een speciale plek in mijn geheugen bewaard heb, die liggen te wachten op een moment zoals dit. Een laatste toevluchtsoord. Maar in het grote lege bed waar ik elke avond in kruip verandert de troost waar ik op hoop in een gevoel van diep en pijnlijk verlangen, ergens bovenin mijn buik.

Dus nu zit ik achterin een taxi.

Toen ik de taxichauffeur vertelde waar ik heen moest, was zijn beleefdheid onberispelijk. Maar onderweg is hij weinig spraakzaam. Hij vraagt niet waarom ik naar een verlaten vakantiehuis wil in het laagseizoen, of waarom hij in de door braamstruiken overwoekerde berm moet wachten. Terwijl ik het piepende hek openduw, zet hij de radio een stukje harder.

Het is een tijdje geleden dat iemand hier geweest is, maar onder het onkruid herken ik nog de tuin. Het huis ziet er ouder, aftandser en kleiner uit dan ik me herinner. Op de veranda staan geen bankjes meer, het hout lijkt rot. Aan de dikke eik hangt nog wel de schommelband aan een beschimmeld touw.

Even schiet het door mijn hoofd of ik niet de herinnering had moeten laten voor wat hij was. Ik rits mijn jas open en hoewel het koud is, leg ik hem op de veranda. Het is goed. Sommige dingen blijven niet zoals ze waren. Er is niemand die in de avond een dekentje over me heen legt.

Ik schat de afstand in, neem een aanloopje en zet mijn handen in het natte gras. Mijn voeten stoten tegen de muur. Even wankel ik, maar ik sta. Ik doe de handstand.

En er is niemand die me overeind houdt.

Standaard