Factor 50

Natuurgeweld

Zelfs de palmbomen zuchten zacht krakend onder de warmte. Zevenendertig graden. Ik zit op een handdoekje in de schaduw en bouw hoopjes wit zand, smeer me af en toe in met de noodzakelijke factor 50. In de niet zo heel verre verte zwemmen mijn reisgenoten in water dat zo helder is dat je meters onder je de vissen nog ziet zwemmen.

Ik verveel me. Dit zou perfectie moeten zijn, maar ik erger me dood aan de stilte, het geluid van de golven die steeds maar weer over het zand spoelen zonder dat er iets verandert. Zelfs de regenbuien die de hemel elke middag rond vieren over ons uitstort zijn voorspelbaar geworden: een afdak zoeken, een half uurtje wachten en dan weer terug naar mijn handdoekje.

In de iets verdere verte bouwt zich al een donkere wolkenmuur op. Ik heb mijn spullen al ingepakt als het begint te regenen, eerst spetters en daarna dikke druppels. De anderen komen gillend en lachend het water uit en wikkelen zich in hun handdoeken, op zoek naar beschutting. In de lucht rommelt de donder en iemand grapt nog dat er geen hoogste punt is. Dat we de pineut zijn als het begint te bliksemen.

Niet dat zoiets ooit bij ons zou gebeuren. Dat soort dingen hoor je alleen in andermans verhalen.

We vinden relatieve droogte in de tent waar hamburgers en cocktails verkocht worden; de enige beschutting op het strand dat zich lang en wit uitstrekt tot aan de horizon. Er zijn ook locals die het al even grappig vinden als wij. De wind trekt aan het klapperende tentdoek en slaat de regen naar binnen. Water stroomt tussen onze voeten door, tot we op papperig nat zand staan.

Ik heb niet eens door dat er een lichtflits is. Dat er vonken opspringen. Het wordt zwart en het volgende wat ik merk is mijn kaken die pijnlijk op elkaar klappen. Naast me zakt een man in elkaar. Iemand gilt.

Waar paniek is, is chaos. Meer mensen beginnen naar elkaar te roepen –mijn vrienden in het Nederlands, de rest in het Spaans- er wordt gezocht naar schoenen, iemand gaat op een stoel staan. En ik controleer mezelf op sporen, brandwonden, iets op mijn huid dat bewijst dat de natuur zo-even heeft laten zien wie de sterkste is. Niets.

Terwijl de rust terugkeert, een enkeling begint te huilen van de ontlading en de flessen rum worden opengetrokken als troost of om te vieren dat we nog leven, voel ik dat er iets is veranderd. Er stroomt iets nieuws door mijn aderen. Als ik dit kan, kan ik alles aan.

De lucht klaart alweer op. Ik voel me licht als ik de tent uitstap, de anderen achterlaat en met wankele benen tot aan de zee loop. Met mijn voeten in het water kijk ik naar de horizon. De Atlantische Oceaan klotst kalm tegen mijn enkels alsof er nooit iets gebeurd is.

Standaard