Kop-staartbotsing

Rita

Elke zaterdagavond liep Rita door het steegje en elke zaterdagavond stonden ze op haar te wachten. Twee jongens met petjes en peuken, weggedoken in hun kraag tegen het baksteen geleund. De ene spuugde altijd op de grond als hij haar zag. Ze negeerde het gesis en gejoel, de beledigingen, en concentreerde zich op het geluid van haar hakken op de straat. De stenen glommen. Het had geregend.

Ze noemde zichzelf Rooie Rita maar als ze door de steeg liep was ze IJzeren Rita. Ze droeg een pantser waar woorden niet doorheen braken, ze verstond niet eens wat ze zeiden. Ze liet zich niet dwingen een andere route te nemen. Ze was verdomme Rooie Rita.

Er was iets mis. Peter voelde het aan zijn huid toen hij de hal binnenstapte. Er hing een spanning die bijna prikte. Daniël stond in de open keuken met zijn rug naar hem toe, te rommelen met de Senseo of iets dergelijks. Eliza zat aan de keukentafel en speelde met haar trouwring.
Peter ging naast haar zitten, zijn jas nog aan, zijn tas vergat hij tegen de verwarming. Slecht voor het leer. Eliza keek met angst in haar ogen. Daniël draaide zich om met dezelfde bange blik. Dat joch had z’n moeders ogen.
“Koffie?”
“Koffie?”
Eliza legde een hand op zijn schouder. “Trek je jas toch uit.”
“Ja.” Hij stond op en liep naar de hal. Toen hij terugkwam stond er een kopje koffie voor hem klaar, de koektrommel open op tafel. Spritsen, jodenkoeken en van die hele kleine stroopwafeltjes.
Daniël haalde een papiertje uit zijn zak. Na wat keelgeschraap begon hij voor te lezen. De randen van het papier trilden.
“Papa, ik wil je wat vertellen en ik hoop…” Hij schraapte zijn keel weer. “Ik hoop dat je me niet met andere ogen zult zien dan hiervoor. Ook al is het misschien moeilijk voor je.”
Langs Peters ruggengraat prikte het.
“Daniël…”
Hij las verder, korte zinnen en iets te snel. Zijn gezicht was wit geworden, met rode wangen.
“Dit is wie ik ben en ik kan er niets aan doen. Ik ben nog steeds dezelfde. Alleen anders dan je verwachtte dat ik zou zijn.”
Hij keek op van zijn papiertje, recht in Peters ogen. Precies die van Eliza, precies die vertwijfeling en angst voor zijn reactie als zij had gehad toen ze op het verkeerde moment was thuisgekomen, die ene dag, en had gezien wat hij zo graag voor haar verborgen had willen houden. Iets in hem wankelde.
“Zeg het, Daniël.”
De blik ging weer strak naar het papiertje.
“Ik val op mannen.”
En toen kwam het opeens allemaal binnen. Net nu hij niet op zijn hoede was, zijn ijzeren pantser niet aanhad. Gelach. Geroep.
Flikker
Viespeuk
Freak
Peter stond op en Daniël deinsde achteruit. Eliza greep hem bij zijn mouw.
“Mijn zoon zal geen flikker genoemd worden.”
Tranen sprongen in Daniëls ogen. Peter prikte zijn vinger als een zwaard richting zijn zoon.
“Weg! Ik hoef die kop van je niet in mijn buurt.”
Daniël sprong op en denderde langs hem heen. De porseleinen beeldjes in het kozijn trilden toen de deur achter hem dichtsloeg.
Eliza huilde.
“Waarom?” Haar stem was gebroken. “Ik hoopte dat juist jij…”
“Juist ik?”
Ze haalde haar schouders op. “Met je… hobby. Dat je het zou begrijpen.”
Hij schudde zijn hoofd. Toen hij het huis verliet schudde het porselein in de vensterbank voor de tweede keer.
Een zaterdag als alle anderen. Rita moest weer door het steegje. Ze droeg haar hoogste hakken, de rode met pailletten, en het geklikklak galmde door de straat. Het fluiten begon.
“Daar komt ‘ie hoor.”
“Lelijke travo! Freak!”
“Gatverdamme!”
Rita liep door, concentreerde zich op haar schoenen. Zonder op te kijken liet ze het geroep en de kokhalzende geluiden achter zich.
Het lukte haar bijna weer om ze te negeren. Bijna.
“Hé, gore flikker!”
Ze draaide zich om en de jongens begonnen te joelen.
“Wát?”
De jongen stapte naar voren, uit de beschutting van de schaduw en zijn capuchon, zijn kin uitdagend in de lucht.
“Ik zeg dat je een gore flikker bent. Is toch zeker zo.”
Vanaf toen ging alles om haar heen als vanzelf. Ze zag de tranen in Daniëls ogen springen. Ze hoorde het getik van haar schoenen op de stoep versnellen en toen abrupt stoppen. Iets dat kraakte onder haar vuist, iets dan in elkaar kreukelde als een auto in een kop-staartbotsing, iets warm en vochtigs dat over haar vingers stroomde.
“Gestoord wijf!”
Daarmee kwam ze weer bij haar positieven. Trillend klikte ze haar handtas open en haalde er een zakdoekje uit om het bloed van haar vingers te vegen. Na het controleren van haar pruik en het gladstrijken van haar jurk balde ze haar vuisten. Niets trilde meer. Alles was rustig.
En dat was maar goed ook. Ze was verdomme Rooie Rita.

Standaard