Roken

Het masker in de wolken

Kijk, die daar. Net een pony.’ Janneke wijst naar een wolk. ‘Wel een beetje een gekke pony, maar absoluut een pony’, lacht ze en ze veegt een rode lok uit haar gezicht. Zweetdruppeltjes glinsteren op haar voorhoofd en ze drukt het glas witte wijn tegen haar wang.

Ik probeer het spelletje mee te spelen, maar mijn concentratie verliest het van mijn verliefdheid. Zij ziet figuren in wolken, ik zie figuren in haar sproeten en omschrijf ze terwijl ik naar de lucht wijs.

Het geschreeuw van spelende kinderen verstomt als zij praat. Haar zachte stem komt overal bovenuit en de kuiltjes in haar wangen dansen met de zinnen. Ik snuif en ruik haar zoete parfum. Ze moest eens weten. Lieve, onzekere Janneke. Het mooiste meisje van de klas, vroeger al. Maar ook het ongelukkigste. Ze kon zichzelf niet zijn, vertelde ze me. Als de rest zou weten wat alleen ik wist, zou ze pas écht gepest worden, dacht ze. Zij vatte zelfs complimentjes op als pesten, ze ging er onder gebukt omdat ze elk woord duizend keer uitvergrootte en omkeerde in haar hoofd. Als iemand zei dat ze leuke sproetjes op haar schattige wipneusje had, vond zij dat ze een ‘lelijke rooie met een rare neus’ was.

In de eerste werd het erger. Ze had gehoopt dat de mensen wat meer open minded waren, maar dat was niet zo. Tenminste, niet in onze klas. Maar daar kwam ze te laat achter, toen ze al had verteld dat ze op vrouwen viel. Een schone lei, dacht ze. Weg uit ons geboortedorp en studeren in de stad. Maar daar begon het gepest pas echt. Of eigenlijk was het geen pesten, ze sloten haar gewoon buiten. Ik bleef haar trouw, want de groepsdruk verloor het van mijn verliefdheid. ‘Wat moet je met die pot?’, vroegen studiegenoten me soms. Ik zei dat ik haar aardig vond, puur platonisch. Ik keek wel uit, ik was als de dood dat ze mij ook zouden pesten.
Vier jaar hield ik dat vol en nu we ons diploma binnen hebben, hoef ik nergens meer bang voor te zijn. Alleen voor het moment dat Janneke naar Amsterdam verhuist om door te studeren en ik hier in Tilburg achterblijf omdat ik werk heb gevonden. Nog twee weken. Dan krijgt ze de sleutel van haar nieuwe kamer.

‘Kijk daar! Een masker! Zo’n Italiaanse’, Janneke wijst omhoog en ik volg haar vinger. Ik zie de wolk die ze bedoelt meteen. Arlecchino uit de Commedia Dell’arte torent hoog boven ons uit en kijkt spottend op mij neer. Beschuldigend bijna, en zo voel ik me ook. Schuldig aan mezelf, aan Janneke en aan de buitensluiting die zij wel ondervond, maar ik niet.
‘Jan?’, zeg ik en ik veeg het lokje dat is teruggezakt weer uit haar gezicht. Ze kijkt me aan en ik zie verwarring op haar ogen. Dan worden haar ogen zacht en mild. Haar glimlach is trillerig en de kuiltjes dansen de Chachacha. Met het verwaaien van de wolk zet ik ook mijn masker af en ik kus haar op haar lippen.

Standaard