Fietsende Duitsers

Ik waande me Bruce Willis

Het was het jaar van de Grote Trek. Door het hele land kon je ze zien fietsen, in zwermen bij elkaar. Ze kwamen van de stranden met hun emmers en hun scheppen en hun helmen en het zand uit hun kuilen plakte nog aan ze vast. De fietspaden raakten al gauw bedolven door de vele liters strandvulling die van hun scheppen, fietsen en billen afvielen.

Ik woonde toen nog in Leeuwarden en stond als jonge knul langs de rand te kijken naar de oneindige stroom die voorbij kwam. Ik stel me zo voor dat ik aan een ijsje stond te likken, zoals kleine jongens dat zo goed kunnen, maar het zal verbeelding zijn. Laten we maar zeggen dat ik er gewoon stond. Zo rond een uur of één kwam de stroom vrij abrupt tot stilstand. Ze stapten van hun fietsen af en begonnen tafeltjes en stoeltjes uit te klappen in de berm. Ik geloof niet dat ze doorhadden dat ik er was, want een van de tafeltjes werd zo op mijn voet neergezet.

Toen de worsten en het bier uit de koelboxen kwamen, keek ik om me heen en zag ik dat ik de enige was die nog stond. Een beetje onwennig begon ik langs de tafels te lopen. Het waren gewone mensen. Sommigen waren wat dikker, sommigen waren wat dunner, sommigen hadden lang haar en sommigen krullen, net als ik. Maar ze zagen me niet. Zelfs niet toen ik na een kwartier heen en weer drentelen een worst van een tafel pakte. Ik had ook honger. Ik hield de worst voor de ogen van een man en hij keek er gewoon doorheen.

Met m’n mond vol liep ik verder. Hier en daar schopte ik tegen de toch al instabiele uitklapstoeltjes aan. Lachend keek ik hoe ze vielen, verbaasd om zich heen keken en zenuwachtig lachend weer gingen zitten. Op een gegeven moment ging ik te ver. Ik trok de stoel omver van een meisje dat ongeveer zo oud als ik zal zijn geweest. En ze zag me. Zij was de enige. Ze keek me aan met grote ogen die zich afvroegen wat ik was. En op dat moment begon ik me dat ook af te vragen. Als niemand mij kon zien, wie was ik dan? En waarom zij dan wel? Ik had Sixth Sense nog niet gezien, anders had ik me een Bruce Willis gewaand.

Ik zette een stap achteruit, en op datzelfde moment verdween de blik uit de ogen van het meisje. Ze werden weer net zo glazig als die van haar ouders. Ze pakte haar stoel en ging zitten en at en dronk.

Vandaar ben ik naar huis gerend. Doodsbang rende ik de keuken in, waar ik mijn moeder vond. Ze stond aardappels te schillen. Ze keek me aan en vroeg of ik wat wilde drinken. Ja, zei ik, en ze schonk een glas water in. Ze gaf het en ik dronk. Toen het glas leeg was vroeg ik, terwijl ik m’n longen weer vulde met lucht, waarom de fietsers mij niet konden zien. En met een ouderwets moederlijke stem zei ze:

“Ach jongen, dat zijn slechts toeristen.”

Standaard