Fietsende Duitsers

De nieuwe Jordaan

Het is winter en er zit een Chinees achter het Concertgebouw. Zijn knieën heeft hij hoog opgetrokken en met zijn in elkaar geweven vingers omklemd. Zijn bovenlichaam maakt korte bewegingen van achter naar voren en andersom. ‘De Pijp is de nieuwe Jordaan! De Pijp is de nieuwe Jordaan!’ gilt hij.

Hij heeft een spijkerbroek aan, maar geen schoenen. Zijn witte sokken, die door het gebrek aan schoeisel allang niet zo wit meer zijn, kleuren prima bij zijn ontblote bovenlijf. Het sluike haar voor zijn ogen danst op het ritme van de tram in de rails.

Uit die tram stappen drie vrienden. Twee toeristen uit Hoffenheim, de ander is een Duitse inwoner van Amsterdam.
Bij het zien van de Chinees begint er één ‘Feed the world, let them know it’s Christmas time’ te zingen met een prima te imiteren accent. Zijn vriend, op een homoseksuele manier, vraagt of het niet ‘Heal the world, let them know its Christmas time’ moet zijn. De Amsterdammer legt uit dat hij nu twee nummers door elkaar haalt, maar dat kan niemand verder iets schelen.

‘Hey, fiets kopen?’ roept de overeind gekomen Chinees naar de drie jongvolwassen Duitsers. Twee van hen kijken vragend.
‘Vaarrat kaufen?’ zegt de Chinees, als ze iets dichterbij staan. Blijkbaar had iets verraden dat het hier oosterburen betrof, er even voor het gemak van uitgaand dat de Chinees als Amsterdammer beschouwd mag worden.
De jongen die van origine Würzburger is, zegt dat ze misschien straks langskomen, maar dat ze eerst even de koffers thuis gaan zetten. Bovendien heeft zijn huisgenoot nog een fiets waar ze dit weekend eventueel gebruik van mogen maken, maar dat kan de Chinees weer geen moer schelen.
‘Wat gaan jullie doen?’ vraagt hij. ‘Mag ik mee?’
De jongens lopen door zonder antwoord te geven. De Chinees loopt een stukje mee.
‘Jullie zijn zo saai, jullie mogen niet eens met mij mee!’ schreeuwt de Chinees hen na. Dan niest hij even vaak als hij een kind kreeg. Morgen mooi weer.

Even lijkt het alsof de Chinees mij ziet zitten in het café aan de andere kant van de straat. Ineens steekt hij de weg over. Een auto moet wat remmen, een tram belt tevergeefs. Hij stort zich onbeholpen van de stoep in de trambaan, die een halve meter lager ligt. Met korte pasjes waarbij hij zijn knieën hoog heft, rent hij door de sneeuw. Aan de andere kant van de trambaan klimt hij weer een stoep op. Hij wijst nu naar me. Kort, maar dwingend. Hij heeft sowieso heel korte armpjes. Dan bonst hij op het raam, alvorens hij naar de ingang van het café loopt. Ik zet me schrap, maar weet dat ik hier de controle heb. Nog voor hij de gordijnen bij de entree door is geworsteld, hoor ik hem al.
‘Ik heet gewoon Peter, hoor,’ schalt door het etablissement, ‘hou eens op dat ge-de-chinees!’ Ik schrijf in mijn notitieblok dat ik moet doen alsof ik het in mijn aantekeningen verander. Dan vraagt de Chinees of hij misschien een trui aan mag. Ik zeg dat hij moet kiezen. Heeft hij liever schoenen en droge sokken of een trui?
Terwijl hij daar over nadenkt en vlak voordat hij uitbrult dat hij recht op allebei heeft, ik mijn gore bek moet houden en hier niet het pedante schrijvertje moet gaan zitten uithangen, lopen de drie Duitsers (want – hoe lang je ook al in Amsterdam woont – dat blijf je, maar dat is dan weer helemaal niet erg) naar de plek waar hij altijd zit en nemen de onbemande fiets mee.
Als ik hem daarop wijs, druipt de Chinees af en mompelt hij dat de Pijp de nieuwe Jordaan is.

Standaard