Turkse schoonmaakster

Tjonge, wat ben jij ongelooflijk tolerant

Ik vind het niet erg dat hij zich voorstelt. Verre van zelfs. Het is het zelfingenome dat ik haat. De air van ‘jij bent minder dan ik’ die ik verafschuw. Hij bekijkt me van top tot teen, ziet mijn kleding, mijn hoofddoek en de zwabber en steekt vervolgens z’n hand uit.

“Hoi, Jan” zegt-ie. De toon is hautain, maar niet in de zin van arrogant. Hij zegt het juist met extra empathie. Alsof hij mij wil laten zien dat hij mij niet minder vindt, juist niet zelfs, want hij is tolerant en aardig en hij zou nooit wat verkeerds doen. Hij wil me met z’n gemaakte enthousiasme laten zien dat ik bij hem terecht kan als ik een eerlijke, oprechte en fijne Hollandse jongen nodig heb. In z’n handdruk zit verscholen dat hij geen PVV stemt. Z’n ogen vertellen me dat hij de PVV zelfs verafschuwt. In z’n lichaamstaal lees ik de verwachting van dankbaarheid.

Nadat ik m’n naam heb gezegd draait hij zich tevreden weer om naar z’n twee schermen. Ook zoiets, twee schermen. Alsof één niet goed genoeg is. Als hij mijn werk zou doen zou hij waarschijnlijk om twee zwabbers vragen, omdat eentje zo inefficiënt werkt. Ik gniffel om de gedachte zo’n blanke, zelfingenomen snotneus te zien klunzen met twee aan elkaar gebonden zwabbers.

Als ik twee dagen later weer in het kantoor aan het zwabberen ben – wie bedenkt dat eigenlijk, zo’n streepgevoelige latexvloer op een kantoor? – zie ik hem hoopvol naar me toe draaien. Zonder hem aan te kijken werk ik door. Hij broedt nu ongetwijfeld op een grappig zinnetje waardoor ik later met l’esprit de l’escalier moet doorwerken. Zo eentje is hij er wel. Ik zwabber mezelf handig het kantoor uit en laat hem teleurgesteld achter. Hij zal wel denken dat ik zo’n saaie ben. Een vrouw die niets durft. Een vrouw die niets durft te zeggen tegen mannen. Of erger nog, een vrouw die niets mág zeggen tegen mannen. Met wat geluk bevestig ik met mijn zelfbewuste actie weer wat ondoordachte vooroordelen over het lot van de vrouw binnen de Islamitische religie. Vrijdag zal hij dan in het café verkondigen dat ik echt zo’n typisch Turks/Marrokaans (hij weet het niet) schoonmaakstertje ben die wordt onderdrukt door haar intolerante klootzak van een man. En dat hij dat zo jammer vindt, want hij had zo graag contact met me gemaakt, want weet je, ze zijn allemaal niet zo erg. Het racisme zal van ‘m af spatten en hij zal er trots bij glimlachen. Want hij is geen racist, hij is juist het toonbeeld van Hollandse poldertolerantie. Waarschijnlijk gebruikt hij dat woord ook om te beschrijven wat er mis is in de rest van de wereld. Dat Poetin gewoon dat stukje poldertolerantie mist. Wat een helder licht in deze wereld is hij.

Hij kijkt naar me om te checken of ik kijk en veegt dan demonstratief z’n toetsenbord schoon. In drie dagen is z’n houding omgeslagen van ‘mij kan je vertrouwen’ naar ‘je doet je werk slecht’. Nog even en ik mag ‘doe dat hoofddoekje toch af’ aflezen aan de stand van z’n baard, gevolgd door een ‘je religie is de verkeerde’, verhuld in een neutrale opmerking.

Standaard