Ik vertrek

Verpulverd

Zijn grauwe gezicht, een beetje gelig en ingevallen, ligt diep weggezakt in het kussen. De kamer stinkt, naar ontsmettingsmiddelen, ontlasting en urine. Hij kijkt me aan. Zijn eens zo blauwe ogen hebben een grijze gloed. Het leven is er al uit. Uit heel zijn lijf en leden, maar zijn hersenen werken nog en die sturen zijn hart aan. Zijn hart is sterk. Te sterk. Eigenlijk had hij weken geleden al moeten sterven. Dit is mensonterend.

Toen we elkaar leerden kennen, grijnsde hij ondeugend naar me. Hij was al ziek, maar zat boordevol levenslust en kracht. Zijn humor was overweldigend. Het ene na het andere geintje rolde over zijn lippen en ik moest om het ene grapje nog harder lachen dan het andere. Ik hield meteen van hem.
Dat roept hij over zichzelf af. Iedereen die Alfred ziet, houdt op slag van hem.
‘Ik weet gewoon hoe ik mensen moet raken’, vertrouwde hij me ooit toe. ‘Bij jou zag ik meteen een twinkeling in je ogen waaraan ik zag dat je van flauwe grapjes houdt. Daar heb ik doodgewoon op ingespeeld. Ik heb je op die manier om mijn vinger gewonden.’ Hij knipoogde en nam een slokje koffie. Het was op een van de vele ochtenden die we samen doorbrachten.
De vooruitzichten waren goed. Alfred zou geopereerd kunnen worden en een chemokuur zou alle woekerende cellen uit zijn lichaam verbannen. Niets was minder waar. Tijdens de operatie bleken er te veel uitzaaiingen te zijn. Alfred zou sterven. Drie tot zes maanden, was de prognose. Dat is nu een jaar geleden.

Hij sluit zijn ogen en ademt nog eens in. Het duurt lang. Ik kijk naar hem en vraag me af of dit dan zijn laatste ademteug is. Hij ademt uit en opent zijn ogen weer. Nog niet. Alfred houdt vast. ‘Ik zou graag nog één trekje van een sigaret willen’, lispelt hij. Ondanks de situatie grinnik ik. Vragend kijk ik de verpleegster aan en ze knikt. Het mag. Omdat het Alfred is. Iedereen houdt van Alfred.

Ik steek een sigaret op, neem zelf een paar trekjes en houd hem dan voor Alfreds droge lippen. Hij zuigt, inhaleert en hoest. De opkringelende rook drijft naar de felle lamp naast zijn bed en verpulvert, alsof de lamp zelfs voor sigarettenrook te heet is. Alfred glimlacht tevreden.

Zijn ademhaling wordt onregelmatiger. De familie kijkt toe. In elkaar gedoken. Verdrietig, maar blij dat Alfred over niet al te lange tijd geen pijn meer heeft. Hij heeft zijn portie wel gehad.
Tegelijkertijd met zijn veranderende grimas van pijn naar vredig, kleuren zijn vingertoppen blauw.
De bloedsomloop is gestopt. Het is zover.

Ik voel de tranen branden achter mijn ogen, maar houd me groot. Alfred… Hij is dood. Strikt genomen zou je kunnen zeggen dat ik hem heb vermoord, met mijn euthanasiemiddel.
De verpleegster legt een hand op mijn schouders en kucht zachtjes. ‘Dokter Dijkstra, u moet de dood constateren’, fluistert ze. Ik doe wat ze zegt, mijn taak zit er op. Ik heb Alfred niet kunnen redden.
Met een brok in mijn keel loop ik de kamer uit.

Standaard