Vrouwen onder elkaar

Het was een ongeluk

Het was een ongeluk’, herhaal ik keer op keer in mijn hoofd. Al jaren doe ik dat, het is een mantra geworden. Maar ik heb er nooit iemand mee kunnen overtuigen.
Ik heb haar vaak doodgewenst. Heel vaak. Ze was verschrikkelijk. Een heks, een onuitstaanbaar kreng, slecht. Dus ja. Misschien zijn mijn wensen uitgekomen en heb ik haar een handje geholpen. Ik weet zeker dat ze me dankbaar is. Ik kan me niet voorstellen dat ze met zichzelf kon leven.

‘Ik heb jouw man geneukt’, zei ze die bewuste avond. Ik zag krankzinnigheid in haar ogen. En angst. Maar berouw zag ik niet.
Ik snap nog steeds niet zo goed waarom ze het vertelde. Mijn man was een jaar daarvoor gestorven door een noodlottig ongeval. Ik wist natuurlijk al lang dat hij met haar was geweest. Ik rook haar parfum op zijn blouse. Keer op keer.
Waarom ze me het kwam vertellen weet ik niet. Ik denk dat ze me een venijnige trap na wilde geven.
Jarenlang was ze mijn vriendin geweest. Vroeger vertelden we elkaar alles. Over onze vriendjes en scharrels. Of hij goed was in bed of juist bedroevend slecht. Soms wisselden we vriendjes uit. Als ik genoeg van iemand had die wel goed was in bed, mocht zij hem hebben. En andersom.
Ze was er bij toen ik mijn man leerde kennen. Ik denk dat ze toen al op hem viel.
Ik vroeg haar of ze er van had genoten toen hij haar neukte en ze zei van niet. Ze zei zelfs dat ze er spijt van had, maar dat geloofde ik niet, want ik zag geen schuld in haar ogen. Toen ze begon te huilen, zette ik haar mijn huis uit. Hoe durfde ze te huilen om mijn overleden man. Ik kon er met mijn verstand niet bij.
Twee uur later stapte ik in de auto. Ik wist dat ze vaak rond die tijd ging hardlopen en ik hoopte dat ze dat vanavond ook zou doen, ondanks haar tranen en bekentenis.
Daar liep ze. In haar afschuwelijk reflecterende, roze hardloopjasje. Het licht van mijn koplampen weerkaatste pijnlijk in mijn ogen en even zag ik niets meer. Toen volgde de klap en de gil. Ik weet niet of het haar of mijn gil was. Daarna was het stil. Ik moest de behoefte om weg te rijden bedwingen, dus ik stapte uit en belde op mijn dooie gemak 112. Doorrijden zou heel dom zijn, want dan zou de politie meteen snappen dat het geen ongeluk was.

‘En toch was het een ongeluk’, mompel ik. ‘Ik werd verblind door het reflecterende hesje.’ Mijn mantra zit al jaren gevangen in mijn hoofd. Aangekoekt als een restje tomatensoep in een pan. Daar komt niemand nog doorheen.

Mijn cel is klein, maar redelijk comfortabel. Ik schik me in mijn lot. Sommige ongelukken worden nu eenmaal duur betaald. Soms is het zelfs best gezellig hier. Overal cellen vol vrouwen. Naast mij, boven mij en onder mij. Alleen maar vrouwen.

Standaard