Ontbijtkoek

Mooi roze is niet lelijk

Ik sluit aan in wat volgens mij de kortste rij is. Voor me staat een persoon met een klein, iel postuur, een gele broek en een fel roze fleecetrui. De bovenkant van het hoofd van de persoon is kaal, waaruit ik opmaak dat het een man moet zijn, en vanaf de lijn aan de bovenkant van z’n oren vallen grijze, vale lokken haar naar beneden. Er hangen vier of vijf grote tassen aan z’n arm – waar er weer drie felroze van zijn – en een winkelmandje aan de andere, waaruit de man nu zijn boodschappen aan het overladen is op de lopende band. Als hij een pak ontbijtkoek op de band legt zie ik dat de man niet alleen een roze fleecetrui en roze tassen heeft, maar ook een roze bril. Het is een hip montuur, vrij dik, maar het kan mijn aandacht niet lang vasthouden, want het puntje van de neus van deze man is net zo roze als zijn bril.

Terwijl ik geniet van deze situatie en het grappige boodschappenlijstje van deze man (Choca vlokken, Hertog kersenijs, ontbijtkoek en bevroren hamburgers), sluit er een meisje achter mij aan in de rij. Ze legt een appel op de band, en pakt dan het scheidingsbordje voor de volgende klant. Ik kijk haar even aan. Ze is een jaar of zesentwintig en heeft vrij lang, zwart stekelhaar. Ze heeft een piercing in haar neus en veel oorbellen. Mooie ogen ook. Dan kijk ik weer naar de appel.

‘Boodschappen voor de hele week?’ vraag ik.
‘Ja, ik ben heel zuinig,’ antwoordt ze glimlachend.

We lachen even naar elkaar en kijken dan weer naar de man met de roze neus die inmiddels moet gaan afrekenen. Iets dat hij blijkbaar niet van tevoren heeft zien aankomen, want hij begint met zoeken naar z’n portemonnee op het moment dat de kassière zegt ‘9,63 alstublieft’. Langzaam zet hij z’n vijf tassen neer en begint in één van de tassen te zoeken, totdat hij zich bedenkt en in de zak van z’n roze fleecetrui begint te graaien. Daar vindt hij een briefje van vijf, dat hij alvast voor de kassière neerlegt. Een eeuwigheid later heeft hij nog wat muntgeld te pakken gekregen, dat hij minutieus uittelt. Hij wil het bonnetje graag mee, ja.

Ik reken mijn boodschappen, ontbijt voor morgen, snel af. Terwijl ik inpak is de man met de roze neus, roze bril, roze fleecetrui en roze tassen net zover dat hij de ontbijtkoek in z’n tas gaat stoppen. Al z’n andere spullen liggen nog op de band. Het meisje met de appel heeft inmiddels ook afgerekend en loopt voorbij. Tergend langzaam en trillend gaat z’n hand met de ontbijtkoek een tas in, om vervolgens tot de conclusie te komen dat het niet past. Hij haalt de ontbijtkoek weer uit de tas en probeert het nu met de bak ijs. Die past.

Standaard