Tuinieren

Nieuw leven

Ze keek hem lachend aan, maar hij zweeg. Rustig wandelde hij door de lege voorkamer. De makelaar had niet gelogen, de zon had hier in de middag inderdaad vrij spel. En het was zeker geen verkeerde wijk. In de auto hiernaartoe hadden ze dat al opgemerkt. Brede trottoirs, voldoende supermarkten in de buurt en speelveldjes met wipkippen en glijbanen. Wat heeft een mens nog meer nodig?
Een tuin.
Als hij ergens van hield, dan was het wel de mogelijkheid om op elk gekozen moment van de dag de achterdeur open te doen en de tuin in te stiefelen. In de zomer lekker in de zon met een kopje koffie de krant lezen, ’s avonds voor het slapen gaan nog even de longen volzuigen met verse lucht of in de winter lekker actief in de weer met de sneeuwschep. Deze tuindrang, zoals hij al veel vaker tegen Evelien had gezegd, was het enige wat hij had overgehouden aan zijn jeugdjaren in de provincie.
‘Martijn, ik vroeg je wat. Ik meen het. Is dat niks?’
Hij klopte op een muur om iets te testen, maar hij had geen idee wat. Toch voelde het als iets wat je moest doen in een huis dat eventueel de basis ging worden van een heel nieuw leven.
‘Ik ga niet in een volkstuintje zitten, Evelien,’ antwoordde hij. ‘Ik ben misschien wel achtendertig, maar nog niet met pensioen.’
Ze zuchtte en ging op de brede vensterbank zitten. De zon gaf haar blonde haren een gouden randje.
‘Ik snap het niet,’ zei ze. ‘Alsof jij ineens groene vingers hebt. Jij struikelt nog over te lang gras. Om nog maar te zwijgen over die lading hooikoortspillen die je elk jaar naar binnen werkt.’
‘Daar gaat het toch niet om,” zei hij harder dan hij eigenlijk bedoeld had. De lege kamer werkte als een klankkast van een akoestische gitaar. ‘Ik wil gewoon naar buiten kunnen wanneer ik wil,’ zei hij iets zachter.
‘Maar dat kan toch ook? Op een halve minuut lopen zit een park.’
‘Dat is anders.’
‘Hoezo? Dat is toch ook buiten?’
‘Dat is niet van ons.’
‘Nee, gelukkig niet. Als we dat ook nog zouden moeten schoonhouden.’
Hij lachte en ging naast haar zitten. De vensterbank was dus ook van goede kwaliteit.
‘En wat als de kleine er is?’
‘Dan gaan we iedere dag met hem-‘
‘-of haar.’
‘Met hem of haar naar het park. Echt Martijn, dit appartement is geweldig. Dat voel jij toch ook?’
Hij stond op en liep richting het achterraam. Het uitzicht op de stad gaf hem een machtig gevoel. Hij, de knurft van het provinciedorpje, stond hier toch maar even de succesvolle Amsterdammer uit te hangen.
Hij draaide zich om en wandelde richting de keuken. Daar inspecteerde hij wat keukendingen, deed een paar kastjes open en weer dicht en constateerde dat om een kookeiland heenlopen hem vreemd genoeg een soort gevoel van voldoening en rust gaf.
Langzaam liep hij weer de voorkamer in. Ze was inmiddels opgestaan en keek door het raam naar buiten. Op de muur van zag hij haar schaduw. Een perfect profiel met een wonderschone dikke buik.
Even stonden ze daar in stilte en luisterden naar de stad. Een trambel, een optrekkende auto, het vrolijke gekwetter van het schoolplein.
Het was goed zo.
‘Weet je, Evelien? Misschien is het balkon wel genoeg buiten voor me.’

Standaard