Shoppen

Een jurk als een lampenkap

Het stond haar niet. Ze werd er dik van. Maar ja, dat zeg je niet, als man.

Want als je er iets van zegt ben je geen ondersteunende man, dan hou je niet van haar, dan denk je alleen maar aan jezelf. Vrouwen hebben liever dat je liegt. Dat ze er vervolgens bijlopen als geglazuurde appels op een stokje, dat geeft dan niet.

Totdat ze erachter komen, natuurlijk.
Want dan heb jij het weer gedaan. Een ondersteunende man die van haar zou houden en niet alleen maar aan zichzelf zou denken had er wat van gezegd en gezorgd dat ze er niet als zo’n idioot bij zouden lopen. Het is jouw schuld en je weet het.

Dat alles schoot in de seconde nadat Nadia ‘Leuk hè?’ had gezegd, door Hermans hoofd.

Het antwoord was duidelijk. Hij zou zeggen dat het inderdaad leuk is en daarbij z’n ogen wat groter maken dan normaal, zodat het leek alsof hij verbaasd was over haar schoonheid. Hij zou met z’n duim en wijsvinger de stof vastpakken en er bij knikken, keurend als een stalmeester. Ze zou glimlachen, hij zou haar de creditcard toestoppen, heimelijk, alsof ze het niet zelf kon betalen. Ze zou gniffelen en met een lichte tred, bijna huppelend, naar de kassa lopen. Wat was ze jong, wat werd ze aanbeden.

Maar er brak iets, bij Herman.

Als jongen had hij zichzelf beloofd altijd en overal eerlijk over te zijn. Dat was het juiste, had hij ooit besloten. En nu besefte hij pas hoe ver hij van de waarheid was afgedwaald. Hij zat in een wijvenzaak op een klotekruk naar een steeds lelijker wordende vrouw te kijken die zichzelf voorhield dat ze er met een of ander debiel jurkje er weer jaren jonger uitzag.

Nou hield hij van zijn vrouw en wilde hij haar de wijvenzaak en klotekruk met plezier vergeven. Hij had het haar zelfs al vergeven. Daarbij werd hij er zelf ook niet knapper op, nu de jaren begonnen te tellen. Nee, dat was het probleem niet. Het jurkje was het probleem.

En toen sprak Herman. Hij zei het duidelijk, hij zei het hard, hij zei het voor iedereen.

“Nee, het lijkt net een lampenkap.”

Nadia keek Herman met grote ogen aan en haalde haar duim en wijsvinger van de stof. Ze draaide zich om. Ze stapte de kleedkamer binnen. Ze trok het gordijn dicht. Ze kleedde zich om. Ze trok het gordijn open. Ze hing de jurk op aan het rek. Ze liep naar buiten. Ze fietste naar huis. Ze ging op de bank zitten. Ze ging boodschappen doen. Ze at. Ze keek tv. Ze sliep. Ze werd wakker. Ze draaide zich om naar Herman, legde haar hoofd op zijn borst en zei:

“Bedankt.”

Standaard