Cliniclowns

Een leeg bed

Het moet een gek gezicht zijn voor alle mensen die even lekker uitwaaien op het strand.

Een man met veel te grote schoenen, een rode neus en een sigaret in zijn geschminkte glimlach.
In de regen, staande op een paal waar anders meeuwen of aalscholvers op zouden zitten, kijk ik naar de zee en denk aan wat ze de laatste keer tegen me zei. ‘Voor even was Tommy weer kind in plaats van patiënt.’ ‘Hij was de pijn voor eventjes vergeten.’ Onpersoonlijk. Kil. Alsof ze de woorden van een poster had opgelezen. ‘Een goede afleiding voor Tommy’ ben ik geweest. Verder niks. De inspanningen waarmee ik mijn leven zin gaf, zijn dus enkel afleidingsmanoeuvres gebleken. Kennelijk is bij haar alles voor hem geweest. Alleen maar Tommy, Tommy, Tommy.
‘Godverdomme, Tommy,’ mompel ik en gooi het doosje ver het water in.

Wat een weer, dacht ik vlak nadat ik de gordijnen in mijn slaapkamer opendeed. Gelukkig mocht ik vandaag weer naar het ziekenhuis. De reden dat ik dit beroep had gekozen, wachtte op mij. Vorige keer had Tommy te horen gekregen dat hij alleen op een kamer mocht, dus er was reden voor vrolijkheid.
Voor de wandspiegel oefende ik nog een keer mijn laatste grap, mijn slotpleidooi. Ik drukte de draagbare cd-speler aan en Het Pianoconcert nummer 1 in fis mineur, opus 1 van Rachmaninov begon. Op handen en voeten deed ik een hond na. En omdat ik een clown was, stootte ik overal tegenaan. Daarna zou ik doen alsof ik een plasje deed waar het niet mocht. Eerst bij de deur, dan bij mama en uiteindelijk op de voeten van Tommy. Daarna zou ik een hond van een zwarte ballon voor hem vouwen. Voor haar maakte ik dan een rood hart met de ring erin. Dat moest genoeg zijn.
Na het oefenen liep ik naar de badkamer. De muziek liet ik aan.

In de tram naar het ziekenhuis moest ik staan. Een vrouw met een kinderwagen was overduidelijk op haar hoede. Twee jongens met leren jasjes fluisterden lachend. Het deed me weinig, ik was het gewend. Laat ze maar lachen, dat was uiteindelijk toch de bedoeling. Vandaag gunde ik iedereen plezier.
Ik controleerde of ik alles bij me had. Clownschoenen. Check. Mondharmonica, ballonnen, pomp. Portable cd-speler. Check. De ring. Ja, ook die had ik. Voorzichtig opende ik het doosje en bekeek kort de inhoud. Prachtig. Ik stopte het snel weer in mijn binnenzak. Vier haltes nog, dan was ik eindelijk bij haar.

In het ziekenhuis meldde ik me zo snel mogelijk bij de balie. Dat was verplicht, ze moesten het altijd weten als je er was. Daarna spoedde ik mij naar de negende verdieping van de oostvleugel. Tommy lag op afdeling 9B: oncologie. De laatste weken dus alleen op een kamer, wat een verademing voor me was. Zo had ik geen last van andere kinderen die vermaakt moesten worden. In de wachtkamer wisselde ik snel nog even van schoenen. Aan de muur hingen posters en door kinderen gemaakte tekeningen. Ik floot een onbekende melodie terwijl ik naar de kamer aan het eind van de gang liep. Toen ik bijna bij de deur was, zag ik een leren jas aan de kapstok hangen. Niks voor haar. Ik zwaaide de deur open en begon meteen aan het openingsnummer met de mondharmonica. Maar er was niemand. Het licht was uit, het bed was leeg. Ze had niks voor me achtergelaten.

Standaard