Cliniclowns

Een clown met een droom

‘Ik ben Anton en ik ben een Cliniclown.’

Hallo Anton’, luidde het in koor en ze namen allemaal hun rode neus voor hem af. Het was al jaren een onderling geintje om te doen alsof ze de Anonieme Cliniclowns waren.
Anton ging zitten en keek de groep rond. Ze zaten in een kring. Jet frummelde wat aan haar groen geruite tuinbroek. Hettie keek schichtig om zich heen. Jaap leek continu verbaasd te kijken, maar dat kwam door zijn hoog geschminkte wenkbrauwen. Dat wist Anton omdat hij Jaap ook wel eens zonder schmink had gezien.
Dagvoorzitter Peter stond op en kneep in de grote plastic piepbloem die op zijn rood geblokte tuinbroek gespeld zat. Het geroezemoes verstomde.
Peter nam het woord: ‘Volgende week organiseert het Kinder Medisch Centrum hun jaarlijkse loterij. De hoofdprijs is een miljoen euro en Gaston de directeur heeft besloten elke Cliniclown een gratis lot te geven. Is dat niet leuk?’

Daar. Daar was het. Antons droom. Antons oplossing. Als hij dat geld won, dan zou hij stoppen met werken en emigreren naar een tropisch eiland. Hij zou een andere identiteit aannemen. Nooit meer Anton de Cliniclown, maar Marc de manager, Patrick de piloot of Simon de succesvolle zakenman.
Zijn rode neus zou nooit meer van plastic zijn, maar veroorzaakt worden door alle cocktails. Mooie vrouwen bij de vleet. Melk uit een kokosnoot bij het ontbijt. Zijn rug zou ingesmeerd worden door een ginger met staalblauwe ogen. Zodra de crème in zijn huid was getrokken, zou hij een duik in de kristalheldere kobaltblauwe zee nemen zodat de tropische vissen onder hem weg schieten. Hij zou zijn privéstrand volhangen met hangmatten en iedereen zou welkom zijn. Met zoveel geld wordt hij de populairste man van het eiland.

Hij wilde stoppen met zijn werk. Elke dag kinderen aan het lachen maken in bedompte ziekenhuizen. Hij was er zo klaar mee. Hij had het gevoel alsof een lavalamp op barsten stond in zijn maag als hij bedacht dat hij dit de rest van zijn leven moest doen.
Niet om de kinderen hoor. Die waren best wel prima. Hoewel… bij sommige zou hij het liefst de levensbelangrijke slangetjes uit willen rukken, om ze langzaam te zien stikken in plaats van lachen.
Maar de meeste kinderen waren wel oké.
Maar die ziekenhuizen zelf… De lúcht die daar hing. Het stonk er naar de dood, medicijnen, urine vol narcosemiddel en langzaam wegrottende mensen. Het was een zielig zooitje ellende. De verpleegsters waren nog het ergst. Met hun hoge stemmen – ‘Zooooo, en hoe gaat het hieieier?’, met zo’n afgrijselijke uithaal – en hun veel te vrolijk gekleurde Crocs.
Als Cliniclown moest hij in die stank zijn rode neus opzetten, kunstjes doen en moppen vertellen boven het geluid van krakende Crocs op ziekenhuisvloeren uit. Elke dag. Anton werd misselijk.

Peter deelde de loten uit en gaf iedereen een toetertje waarmee ze het heuglijke nieuws konden vieren. Frits zat naast Anton. Hij droeg een paars gestipte tuinbroek ‘Waarmee begint jouw lotnummer?’, vroeg Frits. ‘BG087’, antwoordde Anton. ‘BG087’, herhaalde Frits. ‘Ha! Daar begint mijn lot ook mee! We zijn lotgenoten!’, grapte hij en hij blies hard op zijn toetertje. Het ding rolde uit en het scherpe deel belandde recht in Antons linkeroog. Dat begon te tranen en de sterretjes die op zijn wang geschminkt waren, liepen uit. Zijn zicht vervaagde en al snel zag hij met links niets meer.

Vier dagen later stond er een ballondierenvouwende clown in een oranje gestreepte tuinbroek aan zijn ziekenhuisbed. Het gekraak van de ballon klonk als Crocs op een ziekenhuisvloer.

Standaard