Verrassing

Honderd verschillende routes

Of ik haar mee wil nemen naar de plekken waar ik vroeger als kind speelde. Dat wil ik wel en daarom lopen we nu door de straten van het dorp waar ik acht jaar geleden halsoverkop ben vertrokken.

We zijn op bezoek bij mijn ouders. Drie keer zijn ze verhuisd, maar altijd binnen hetzelfde dorp. De laatste keer was ik al vertrokken dus mijn ouderlijk huis is niet meer het huis waar we een paar uur geleden samen binnen kwamen wandelen als verrassing.
‘Ha ma, dit is Eva,’ had ik gezegd en mijn moeder had verbaasd gekeken. Ik ben geen goede zoon, kom bijna nooit op bezoek, en hier stond ik dan ineens voor haar deur, iemand met eierstokken aan haar voorstellend. We liepen naar binnen en kwamen in de gang mijn vader tegen. ‘Ha zoon, leuk dat je er bent,’ had hij gezegd. ‘Ben je al beroemd? Is dat je meisje?’
Ze heeft haar hand in de mijne gevlochten en we lopen langs een pand waar vroeger een videotheek zat, maar nu een dierenwinkel is. Er is veel veranderd, maar veel ook niet. Waar ik in Amsterdam nooit kijk of ik een voorbijkomende fietser herken, kijk ik hier iedereen aan. Is dat niet dinges van dinges? Hebben we niet bij elkaar in de klas gezeten? Wat fiets jij hier nou?
Ik herken niemand en niemand herkent mij.
In de woonkamer praatte Eva met mijn moeder en ik met mijn vader. We hadden het over beroemde mensen die in de provincie waren opgegroeid, maar ik gaf niet meer dan plichtmatig antwoord op zijn vragen. Ik probeerde mee te luisteren met het gesprek wat mijn moeder voerde met Eva. Er werden boektitels uitgewisseld en dat stemde me tevreden.
‘Ellen ten Damme,’ zei ik tegen mijn vader, meteen beseffend dat hij vast geen flauw idee heeft wie dat moge zijn. ‘Zij is ook in dit dorp opgegroeid. In de Oudgenoegstraat woonde ze.’
Voor mijn oude basisschool staan we stil. De gevel is niet meer rood, het basketbalnet is weg en om het grote kunstwerk waar we vroeger altijd in hingen, staat nu een hek. Maar toch is het mijn basisschool.
‘Was het een leuke school?’ vraagt Eva en ik knik.
‘Heel leuk.’
We lopen verder. Rechtdoor, tweede straat links, weer rechts, door een steeg, langs de Rooms-Katholieke kerk, voorbij het witte huis van de man die we De Professor noemden en dan over de grote weg, richting de voetbalvelden.
‘Wat is er?’ vraagt ze als ik zachtjes begin te lachen. We staan midden het op fietspad, maar dat is op zondag niet erg.
Ik kijk haar aan en zeg dan: ‘Het is opmerkelijk: ben hier in jaren al niet meer geweest, maar besefte me net dat ik wel honderd verschillende routes kan bedenken om vanaf hier terug naar het huis van mijn ouders te lopen.’
Een glimlach op haar gezicht.
‘Grappig, zo ken ik je helemaal niet,’ zegt ze.
‘Nee?’
‘Hoelang woon je nu al in Amsterdam en hoe vaak zijn we nu al verdwaald in de binnenstad? Je bent een lopende geografische ramp.’
Ik lach en pak nu ook haar andere hand. Dan geef ik haar een zoen. Net voordat we verder willen lopen, worden we ingehaald door een fietser. Het is Mark. Ik zat een seizoen lang bij zijn broertje in het voetbalteam. Hans was spits en ik rechtsbuiten. We werden ongeslagen kampioen en op het feest in de kantine dronken we cola en aten we patat.
Vorig jaar, op een Champions League-woensdagavond, belde mijn moeder om te vertellen dat Hans was omgekomen bij een auto-ongeluk. Op het kruispunt voor de snackbar. Het is nu een rotonde.

Standaard