De laatste dag

Afscheid

De zomer was bijna over. Hedwig zat met haar rug tegen het hek en keek hoe haar moeder gele en paarse pruimen in stukken sneed.

Die zouden later met honing en rozemarijn in de taart gaan en na het eten geserveerd worden met een schep room, op glazen gegraveerde dessertbordjes. Hedwig hield evenveel van pruimentaart als ze het krassen van haar vork op het bordje haatte. Christina zat naast mama een van de boeken te lezen van schrijvers die ze zo adoreerde. Zou Hedwig ook eens moeten proberen, zei ze altijd, goede schrijvers lezen. Soms liet ze zelfs een boek achter op Hedwigs hoofdkussen.
Alex was vast niet ver weg, ergens iets aan het bouwen of juist slopen, of in een boom met gaten in zijn broek, zodat mama hem straks aan tafel vermanend zou toespreken en Christina haar hoofd zou schudden en haar ogen ten hemel zou slaan.
Verderop in de tuin, bij de lavendelstruiken, stond Michael. Het zag eruit alsof hij niets deed, starend in de verte, maar Hedwig wist wel beter. Michael deed nooit niets.
Ze stond op en wreef over haar benen, waar het gras rode strepen in had achtergelaten. Takjes prikten in haar voeten toen ze over het tuinpad naar Michael liep.
‘Dag kruimel.’ Hij trok aan haar vlecht.
‘Wat ben je aan het doen?’
‘Ik ben aan het kijken.’
‘Waarnaar?’
‘Alles.’ Hij spreidde zijn handen uit naar het huis, de schuur, de tuin, de boom waar enkel oneetbare zure appels aan groeiden. ‘Zodat ik het straks beter kan onthouden.’
‘Ik wil niet dat je gaat.’
‘Dat bepaal jij niet, helaas.’
‘Je moet blijven.’
‘Ik kom heus nog wel op bezoek.’
Hedwig ging in het gras zitten en plukte een grasspriet uit elkaar. Bovenaan de trap stonden al Michaels spullen in kartonnen dozen. Zijn bed bleef staan, maar zijn bureau nam hij mee. Christina was door het dolle heen dat ze nu een eigen kamer zou krijgen.
‘Let jij een beetje op? Dat de zaak hier niet in het honderd loopt als ik weg ben.’
Ze haalde haar schouders op. Michael zakte door zijn knieën en trok de grasspriet uit haar hand.
‘Kijk me eens aan. Je bent toch niet boos?’
‘Nee.’
‘Niet boos zijn. Je mag wel een keertje op bezoek komen in mijn nieuwe huis.’
Hedwig keek op. ‘Echt?’
‘Als je wilt.’ Michael draaide zich om naar het huis. ‘Kom je? Volgens mij gaat mama pruimentaart maken.’
Hedwig knikte en volgde hem. De zon gaf al bijna geen warmte meer af. De zomer was bijna over.

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *