Gescheurd condoom

Ouder worden

Er zijn ouders die geen ouders zijn. Dat komt in de beste families voor, zoals in die van Frank. Jarenlang was hij mijn beste vriend. Samen naar de basisschool, samen groep 7 overdoen en samen lekker kloten op de Mavo. Maar in al die jaren had ik geen flauw benul dat Frank een weeskind was.

Een keer vertelde Frank over zijn thuissituatie. We zaten in de kantine, in een vrij uur, tussen geschiedenis en Engels. Een man te weinig om te Klaverjassen, dus begonnen we maar wat te praten. Daar waren we niet zo goed in en het gesprek viel al gauw dood bij Franks mededeling, tussen twee happen van z’n broodje pindakaas door, dat zijn ouders eigenlijk nooit een kind hadden gewild. Een ongelukje dat inmiddels al vijftien jaar duurde.
“Oké,” zei ik daarop. En: “Daar zit Govert, hij is een waardeloze Klaverjasser, maar dan zijn we in ieder geval met z’n vieren.”

Ouder worden is ’s nachts in bed terugdenken aan dingen die jarenlang geleden gebeurt zijn en stukjes van een puzzel ontdekken. Een puzzel waarvan je niet eens het bestaan wist. Mag je jezelf dan iets verwijten?

Mijn ouders wilden heel graag kinderen en stopten pas bij zeven. Iedereen was gewenst, als ik mijn ouders mag geloven en dat doe ik want ze wisten het heel overtuigend te brengen.
Elke dag was het bij ons een gezellige chaos. Ieder kind wilde niet onderdoen voor de andere en Klaverjassen gebeurde in toerbeurten waarbij mijn vader altijd de enige stabiele factor was.
Na schooltijd wilde Frank steevast bij mij spelen.

In de vierde kregen we ruzie. Waarschijnlijk over een geleend tientje of anders over een meisje. We spraken elkaar enkel nog middels scheldwoorden en zelfs dat was schaars. Van de een op andere dag waren we een duo in ruste.

In de ruim zeventien jaar daarna heb ik niks meer van Frank vernomen. Z’n telefoonnummer heb ik nooit gekregen en we zijn ook geen vrienden op Facebook. Wie zal het zeggen, misschien is hij jaren geleden ook uit het leven gescheurd.

Standaard
XTC

En zo in extase

Is goed,’ zei Cornelis,’doen we het zo. Bedankt en een prettig weekend.’ Hij legde de telefoon op de keukentafel en schonk een kop koffie voor zichzelf in. Twee suikertjes erbij en een stroopwafel want het was zaterdag.

‘Wie was dat?’ riep Agaath vanuit de woonkamer waar ze bezig was in het boek De zen van het leven.
Cornelis pakte de mok koffie en liep met de stroopwafel tussen z’n tanden naar z’n favoriete stoel. Hij plofte neer en na drie happen was de koek een ex-koek. Met een slok koffie spoelde hij weg wat aan z’n kunstgebit was blijven hangen tijdens het vernietigingsproces.
‘Nou? Ga je het me nog vertellen of hoe zit dat?’
‘Wat bedoel je?’ vroeg Cornelis. Uit de krantenbak pakte hij De Telegraaf. Zeventien doden bij een aanslag in Irak, iets over Johan Cruijff en een criminele afrekening in Amsterdam.
‘Zonet, aan de telefoon. Wie was dat? Wat heb je nu weer besteld? Ik hoorde het wel, Cornelis. Toch niet weer een duif, hè? Die schijten alles onder, dat weet jij ook.’
‘O, dat.’
‘Ja, dat ja. Nou?’
‘Niks.’
Agaath klapte De zen van het leven dicht en riep: ‘Welles! Wie Was Dat, Cor-ne-lis?!’
‘Mens, je hoeft niet alles te weten.’
‘Hè gatsie, Cornelis. Doe nou toch niet altijd zo moeilijk! Wat heb je besteld?’
‘Lees nou maar gewoon in dat zweverig boek van je en wees niet zo nieuwsgierig. Je komt er vanzelf wel achter. Er is geen enkele reden om nog meer grijze haren te krijgen.’

Dinsdagochtend werd de bestelling gebracht. Het zat in een schoenendoos. In ruil voor twee biljetten van 50 euro werd van eigenaar verwisseld. “Geniet ervan, ouwe” had de jongen gezegd en Cornelis had ‘m net zolang uitgezwaaid totdat hij om de hoek verdween.

‘Weet jij eigenlijk waar de letters XTC voor staan?’ vroeg Cornelis tijdens het avondeten. Op z’n bord alleen nog maar de slavink; de aardappels en broccoli hadden ‘m reeds goed gesmaakt.
‘Hoe kom je daar nou weer bij?’ vroeg Agaath. Bij haar bestond de buit nog uit drie aardappels, twee stukjes broccoli en driekwart slavink. Al vijfenveertig jaar lang deed ze drie keer zolang over het eten en als Cornelis daar weer eens zijn verwondering over uitsprak, antwoordde ze steevast dat ze geen noodzaak zag in alles zo snel te willen doen.
‘XTC staat dus voor ecstasy,’ zei Cornelis.
‘Dat snap ik niet, hoor.’
‘Da’s Engels. Als je de letters XTC uitspreekt, klinkt het als ecstasy.’
‘Hm,’ zei Agaath. Nog één stukje broccoli en twee aardappels.
‘Geen afkorting dus. De officiële benaming is MDMA, dat is wel een afkorting.’
‘Aha.’
‘Ecstasy is Engels voor ‘in extase’. Dat gevoel schijn je ook te krijgen als je het slikt. Vind dat zo goed verzonnen. Wat zijn er toch veel mensen vernuftig bezig met taal, vind je ook niet?’
‘Ik vind het vooral raar dat je me dit vertelt.’
‘Nou ja, ik moet toch iets zeggen? Jij zit alleen maar voor je uit te staren. Ik dacht: ik vertel even iets.’
‘En waarom is dit is nu ineens een probleem? Zo doen we het al jaren. Jij eet snel, ik eet langzaam en we zwijgen.’
‘Laat maar, Agaath. Eet je die slavink nog op?’

Zoals elke avond keken ze samen het achtuurjournaal. Achttien doden bij een aanslag in Syrië, toegenomen koopkracht en morgen kan het met een waterig zonnetje zomaar 10 graden worden in het zuiden.
‘Waar ga je heen?” vroeg Agaath toen ze zag dat Cornelis uit z’n favoriete stoel was opgestaan.
‘Gewoon, even naar zolder.’
‘Wat ga je daar doen? Heb je ineens een hobby of zo?’
‘Zeur toch niet zo!’ riep Cornelis en met een harde klap gooide hij de deur achter zich dicht.

In de uren daarna las Agaath ‘De zen van het leven’ uit en was Cornelis nog altijd bezig op zolder. Agaath had het niet meer en liep naar het trapgat. Daar riep ze: ‘Cornelis! Kom je nog eens beneden? Wat ben je in hemelsnaam aan het doen?’
Ze wachtte op antwoord maar kreeg eerst alleen maar stilte. En toen: ‘Hou je klep eens, mens! Nu kan ik weer helemaal opnieuw beginnen!’
‘Opnieuw beginnen?’ herhaalde Agaath zachtjes. ‘Waar is die man toch mee bezig?’ Ze zette koers naar boven, het moest nu maar eens klaar zijn met die ongein.
Halverwege de zoldertrap kwam Cornelis haar al tegemoet.
‘Kom, we gaan naar beneden,’ zei hij. ‘Pauw begint bijna. Wil ik niet missen.’
‘Wat heb je daar gedaan, Cornelis?’ vroeg Agaath. ‘Toch niet iets illegaals? O mijn God, ben je aan het videobellen met minderjarige meisjes zoals ze ook lieten zien in dat ene programma met die van Joosten? Kom, hoe heet dat nou?’
‘Kanniewaarzijn, bedoel je?’
‘Ja dat!’
‘Mens, doe toch niet zo raar. Laat het je morgen wel zien, als het af is.’

De volgende middag deed Cornelis na de lunch geen middagdutje in z’n favoriete stoel.
‘Ik ga even naar zolder,’ zei hij. ‘Nog even iets afmaken en dan ben ik terug.’
‘Je doet maar,’ antwoordde Agaath. ‘Ik doe wel even de oogjes dicht als je het niet erg vindt.’
‘Geniet ervan, ouwe’ mompelde Cornelis bij het openen van de kamerdeur.

Wild ging de kamerdeur open. Daar stond Cornelis, een tablet in z’n hand.
‘Agaath, het is af!’ zei hij.
‘Ik dacht al,’ zei ze, ‘wanneer komt-ie nou weer eens naar beneden. Het is al weer bijna etenstijd.’
‘Hier,’ zei Cornelis en hij gaf de tablet aan Agaath. ‘Kijk eens.’
‘Wat is dit?’
‘Klik er nou maar op,’ zei Cornelis.
‘Eerst mijn bril, ik zie niks zo. Waar ligt dat ding?’
‘Weet ik veel, het is jouw bril.’
‘Help me nou eens. De wereld draait niet alleen om jou. O wacht, daar ligt-ie.’
Agaath zette haar bril op en klikte op het filmpje. Ze zag haar Cornelis, in hun slecht belichte zolderkamer. Hij keek recht in de camera en zei: “Ha, hallo. Welkom bij de allereerste vlog van de Taal Opa. Ik heb een tweedehands cameraatje gekocht op Marktplaats en ga nu ook van die leuke filmpjes maken. Nu wil ik het even hebben over… Afkortingen die geen afkorting zijn!”
‘Och Cornelis toch,’ riep Agaath. ‘Je hebt een hobby!’

Standaard
Zwarte Piet

Gelukkige dagen

Maarten nam een slok bier, keek de cirkel even rond of iedereen bij de les was en zei toen: “Kijk, dat hele kerstverhaal heeft geen Zwarte Piet. Nooit gehad ook. Volgens mij beseffen we niet hoeveel gezeik dat op jaarbasis scheelt.”

Middels een kort knikje gaf ik de baas gelijk. Zo deed ik het al jaren omdat je dronken mensen op een kerstborrel zo weinig mogelijk moet tegenspreken. Dat brengt volgens de Chinezen ongeluk voor het komende jaar.

Lamzaam liep ik weg van de zuiplap en zocht mijn eigen bureaustoel op, een van de weinige objecten die de meisjes van de afdeling ook dit jaar niet hadden durven versieren. Ik plofte neer en nam nog eens een slok wijn. Mijn god, was het al weer Kerst?

Met mijn poten op het bureau keek ik naar het kluitje collega’s dat lallend en lachend bij de kopieermachine het jaar aan het afsluiten waren. Niet geholpen door de wijn, had ik moeite met al hun namen te herinneren. Tuurlijk, dat waren Frank en Henny van de boekhouding, die rooie deed iets met inkoop en daarnaast, met die rare pet, stond Berry en die was wat mij betreft niks anders dan een tovenaar met computers. Maar de rest? Stagiaires? Geen idee. Of mocht aanhang ook komen?

Marianne was nu al elf jaar weg en wennen deed het nooit. Bijzonder hoe één persoon je hele leven kleur kan geven. Een keer had ik verteld hoe ik haar miste, aan Eefje, die een paar maanden de afdeling op uitzendbasis had versterkt. Slimme meid, die gelukkig mijn advies had opgevolgd en de lat wel hoger had gelegd. Na haar laatste werkdag vond ik een briefje in mijn la: “Niets staat geluk meer in de weg dan de herinnering aan geluk.”

“Fritsema!” bulderde de baas bij mijn bureau. “Wat kijk je ongelukkig, man. Het is verdorie Kerst! The season to be jolly! Ho ho ho, hahaha!”
Ik perste er een lachje uit en keek naar Maarten, de oudste zoon van de man die jaren geleden iets in mij zag. Met die rendieroren was het nog moeilijker het ventje serieus te nemen.
“Jij ook gelukkige dagen,” zei ik tenslotte en stond op. Het was mooi geweest.

Standaard
Amsterdams gebouw

Als dat dan dit

Voor de architectuur is Auke niet naar Amsterdam verhuisd. Hij is niet het type dat verliefd kan worden op een grachtenpandje. Nee, Auke woont nu al 4 jaar in Amsterdam omdat hij tijdens een vrijgezellenfeest de vrouw van zijn dromen in de buurt van het Leidseplein niet alleen had zien lopen maar ook meteen had laten lopen. Want tja, kom maar eens snel van een bierfiets.

Daarna was-ie haar natuurlijk niet meer tegengekomen. Amsterdam is groot en met al dat gebouw en verbouw lijkt het alleen maar drukker te worden.

Als hij schrijver was geweest, had hij er prachtig over kunnen verhalen. Een verliefde jongen, hopeloos voor zich uitstarend in tram 1, 2 of 5 en maar wachten op het moment dat zij zijn leven incheckt.
Maar als telt niet in het leven en sentimentele schrijvers zijn er al genoeg.

Waarom blijven wonen in Amsterdam? Zijn Friese ouders stellen die vraag bij elk sporadisch bezoek van hun Auke. Kom toch terug, jongen. Stop met dit dwaze gedoe, neem het heft weer in eigen hand. En dat famke van Kamminga, iets verderop aan de Burgermeester Emmenslaan, heeft nog geen vriend, moeten wij anders eens polsen of ze…
Maar voordat ze hun zin kunnen afmaken, zit Auke al weer in de trein terug naar zijn beoogde hoofdstad van de liefde.

‘Auke, luister eens,’ zei de even welbespraakte als aantrekkelijke collega Harm laatst over een klein biertje in de buurt van het Leidseplein. ‘Misschien zoek je helemaal niet naar deze specifieke vrouw, maar staat ze in al haar volmaaktheid symbool voor het leven dat je even dacht te zien en waar je nu al vier lang tegen beter weten in aan vast probeert te houden.’
Auke had zijn voeten even op de trappers laten rusten en alleen geknikt.
‘En deze bierfiets,’ ging Harm verder, ‘die staat gewoon voor alles wat fout is in de wereld. Als ik heel eerlijk ben, heb je al deze onheil over jezelf afgeroepen.’
Auke had gelachen en Harm er van verdacht stiekem zo’n schrijver te zijn.

Maar Auke overweegt het soms wel. Probeert hij voor te stellen hoe het zou zijn om terug te keren naar het dorp waar niet eens trams rijden om weekhartig uit het raam te kunnen kijken. En zij van Kamminga is misschien best oké.

Maar net zoals Auke al vier jaar wacht op het weerzien met die Amsterdamse droomvrouw, wacht hij al bijna net zolang met opgeven. Krijg daarbij maar eens een bierfiets de trein in.

Standaard
Kop-staartbotsing

Ascendant of niet

Ook dit jaar speelden we op geen enkel bevrijdingsfestival. Dat was in 2011 jaar wel anders, mochten we optreden in Vlissingen. Om half elf en net naast de populairste viskraam van het dorp. Dat zegt wel wat, volgens mij. Daar zetten ze heus niet zomaar iedereen neer.”

“Ik zong ook lekker die dag, ga ik niet lullig over doen. En, ook niet onbelangrijk, ik had een gloednieuwe broek aan. Echt, geloof me, dat soort details zijn essentieel, kunnen net het verschil de goede kant op laten slaan. Mensen onthouden dat namelijk als ze weer naar hun huisjes gaan. “Gave broek van die te gekke zanger” – dat werk.
Na afloop zei een van die gasten ook dat onze band de beste was die hij ooit in Vlissingen had gezien. Dat vind ik dus schitterend, dat zo’n oude baas dat nodig vindt om mij te vertellen. Want dat hoeft hij niet te doen, hè! Maar zo mooi, man. Hij had The Beatles nog meegemaakt, weet je wel. Krijg er weer kippenvel van, kijk dan.”

“Maar goed, dit jaar zaten we weer thuis. Nou ja thuis, Teun ging met zijn vriendin naar het bevrijdingsfestival in Zwolle ofzo en Berry, onze drummer, zijn we al acht maanden kwijt. Bijna ben ik solo naar Vlissingen gegaan om een paar nummertjes akoestisch te zingen naast de viskraam. Als een soort bedankje naar onze fans daar. Maar ja, onze bus staat nog steeds bij Teun in de garage staat en het openbaar vervoer gaat me dan net weer iets te ver. Een Mick Jagger zie je ook nooit in lijn 35, of wel dan?”

“Ja, ik dacht echt dat ons optreden in Vlissingen onze verdiende doorbraak zou inluiden, mag je best weten, schaam ik me helemaal niet voor. Na twintig jaar kloten in de marge zou dit hét omslagpunt worden in de carrière van The Love Me Bartenders. En het had gekund, ben ik echt nog steeds van overtuigd. Ga maar na: we hadden nieuwe liedjes, Berry was van de heroine af en we hadden een week eerder op Marktplaats een prima tourbusje gevonden. En vergeet die nieuwe broek van me niet. Die was ook gemaakt voor het grote publiek. Daar hebben ze het nu nog over.”

“Maar even zonder alle gekheid: de sterren stonden zelfs gunstig. Mijn ex had dat uitgevonden, ze zat tot haar oren in dat astronomische gedoe. Als iemand je vertelt dat je ascendant dat jaar perfect in Mercurius staat, iets wat dus praktisch nooit voorkomt, dan doet dat wel wat met je, kan ik je vertellen. Ben ook maar een mens van vlees en bloed, weet je niet.
Dus ja, we voelden dus aan alles dat het nu eindelijk allemaal voor ons zou gaan beginnen. Dat we in Vlissingen uit die vicieuze cirkel van neergang gingen stappen, om het maar eens poëtisch te zeggen. Bevrijdingsdag, ook voor ons. Ik zei dat ook tegen de jongens in het busje. Pleur het op een tegeltje, riep Berry, geloof ik.”

“Aangekomen in Vlissingen was het nog wel even billenknijpen, mag je best weten. Berry kan niet zo goed omgaan met spanning en had tijdens de heenreis al twee flessen whisky achterover geslagen. En niet van dat goedkope spul, maar Van Johnnie Walker, weetjewel. Die heeft dus drie uur lang naast het podium lopen kotsen. Die vislucht werkt dan ook niet mee, als je begrijpt wat ik bedoel.”

“Dus Teun en ik moesten het met zijn tweetjes lopen rooien in Vlissingen. Even hebben we er over nagedacht om de hele zooi dan maar af te blazen. Ik bedoel, eigenlijk was het gekkenwerk: onze liedjes zijn geschreven met de bongo’s van Berry als uitgangspunt. Daar begint en eindigt alles mee. Samen zijn wij het muzikale geweten, de as waar alles om draait. Mijn stem is McCartney, zijn bongo’s Lennon. Zonder zijn inbreng slaat een liedje als ‘Mijn Hart Bonkt Als Twee Vuisten Op Een Bongo’ eigenlijk nergens meer op. Dood- en doodzonde. Misschien was dat al een teken, denk ik nu soms.”

“Maar goed, the show must go on, en uiteindelijk hebben we vier nummers gespeeld. Nou ja, drie eigenlijk, want ‘Thee Is Geen Koffie, Schat (Schenk Maar In, Schenk Maar In), hebben we twee keer gedaan. Die visboeren hadden dat natuurlijk niet door, joh.”

“Echt, ik stond daar de ballen uit mijn gloednieuw broek te zingen, met alleen de akoestische gitaar van Teun als begeleiding. Het publiek vrat uit onze spreekwoordelijke hand, maar die hadden natuurlijk geen flauw benul hoe onze liedjes oorspronkelijk waren bedoeld; met de bongo’s van Berry gevouwen om mijn stem als ware. Dan komen ze een stuk harder aan, hoor. Dát is muziek in haar puurste vorm, dat hoef ik jou niet te vertellen. Maar goed, gelukkig vond Vlissingen dit al schitterend. Simpele mensen zijn sneller gelukkig, zullen we maar zeggen. Niks mis mee, kan er ook jaloers op zijn, mag je best weten.”

“Op de terugweg, ter hoogte van Roosendaal, waren we betrokken bij een kop-staartbotsing. Stuurfout van onze Berry. Toen wist ik eigenlijk al dat het over was, ascendant of niet.”

Standaard
Erfenis

In de vergane gloria

We passen met z’n allen maar net in de ruimte. Stoelen vanuit de hele afdeling zijn er bijgesleept. Saaie, witte stoelen. Klinisch, koud en verre van feestelijk. Er is slagroomtaart, van de naburige HEMA.

‘Alsjeblieft oma,’ zegt een tante en ze geeft haar oude moeder een pakketje.’Dit is namens de kids.’
Zal het vreemd aanvoelen om je ouders later met opa en oma aan te spreken of gaat dat automatisch zodra je zelf kinderen krijgt? Generaties verschuiven, dat valt niet te stoppen.
Oma heeft het presentje goed vast. Ze grinnikt om het knalgele pakpapier met daarop vrolijke mannetjes. Het is nu al een goed cadeau.

‘Toe maar, pak maar uit,’ zegt de tante. ‘Of moet ik oma soms even helpen?’ Zonder het antwoord af te wachten scheurt ze het papier los.
Het zorgvuldig door de kleuters uitgekozen knuffelbeest valt in goede aarde bij oma. Gelukzalig wrijft ze de nepvacht langs haar wangen. Een nieuw maatje om tegen te praten als wij straks allemaal weer druk zijn.

Het zijn andere tijden. Voor de verjaardag van mijn oma liep vroeger de hele buurt uit. Iedereen was er altijd. Urenlang drentelde ze rond met augurken gerold in boterhamworst. Er werd luid gezongen en nog harder gelachen. De burgemeester kwam langs voor een jonge jenever. Het ging door tot diep in de nacht.

Nu is het half zes en nadert het feest zijn einde. Een uurtje geleden zijn mijn neef en nicht al vertrokken omdat ze helemaal terug naar het westen moeten en morgen is het ook weer vroeg op.

In het keukentje dat handig grenst aan het feestzaaltje is de tante al bezig met het afwassen van de gebaksbordjes die ze na een volgend bezoek misschien wel mee mag nemen naar haar eigen huis. Mijn vader helpt met afdrogen en knikt beleefd als ze vrolijk keuvelt over een televisieprogramma met boeren dat hij nooit heeft gezien. ‘Je mist echt wat,’ zegt ze.

Standaard
Scrabble

Help!

Van de zielig losliggende T maakte ik een nieuw woord: TENT. Evelien lachte, ze was natuurlijk weer eens aan de winnende hand en omdat ik met deze vier letters geen enkel speciaal vlakje wist te bedekken, kwam ik niet veel dichterbij. Na het noteren van mijn schamele punten zei ze op dat typische toontje van haar: ‘Och jongen toch. Heb je misschien hulp nodig? Het gaat niet zo goed, hè?’

Inderdaad, dacht ik, het gaat helemaal niet goed. Wij spelen nu een stom spelletje terwijl de hele wereld in brand staat. Een wereld waarin de onbegrijpelijke haat jegens hulpzoekende medemensen niet alleen een podium krijgt, maar ook steeds meer medestanders. Een wereld waarvan ik dacht ik dat die alleen nog maar in mijn geschiedenisboek bestond, omschreven met zinnen in de verleden tijd. Die wereld is nu steeds vaker het achtuurjournaal en het maakt me best angstig, lieve Evelien. Ik kan er wakker van liggen en misschien moet je dat weten.

Maar ik zei hardop: ‘Altijd alles willen winnen is voor losers.’
Evelien lachte en legde FIETS aan. ‘Dat zeggen alle losers.’
‘Klopt,’ antwoordde ik, ‘geluk zoeken wij in heel andere dingen.’
‘Zoals?’
‘De liefde. Een eigen huis. Op vakantie gaan. Terugkomen van vakantie. De geur van een net gemaaid grasveld. Stomme spelletjes spelen aan de eettafel met iemand waar je van houdt, zelfs als ze onuitstaanbaar wordt omdat ze weer eens aan de winnende hand is. Perenijsjes.’
‘Dat klinkt wel heel simpel en zweverig,’ zei Evelien. ‘Waren we maar zo snel tevreden. Het is veel moeilijker dan dat.’
‘Het is als een Beatles-liedje,’ antwoordde ik, wetende dat ze nu iets dacht in de trant van “vlucht-ie weer in z’n muziek”.
Toch ging ik verder.
‘De beste en meest geliefde liedjes van The Beatles klinken heel simpel. Maar, en dat zal iedere muzikant je vertellen, het schrijven van dat soort simpel klinkende liedjes is juist vaak het aller moeilijkste dat er is.’
‘Hm,’ zei Evelien en met de letters E en N maakte ik van mijn TENT het meervoud en scoorde ik dubbele punten.
Ze noteerde de nieuwe stand en mompelde: ‘Ik háát The Beatles.’
Ik pakte twee nieuwe letters en keek naar rechts om even weer bevestigd te krijgen dat al hun platen desondanks wel op een mooi plekje in ons fijne huis mochten staan.

Standaard