HVA schrijfwedstrijd: Walrus

Bakkie troost

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 4 is het verhaal Bakkie troost van Chynna Jansen geëindigd. Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


Bakkie troost

Er was een tijd dat het anders was. Dan liep ik op een zomerdag naar de achtertuin. Mijn vader had het opblaaszwembad al klaar staan. Dat had hij diezelfde ochtend nog gekocht. Speciaal voor mij. Met mijn grote teen voelde ik dan of het water niet te koud was, want zelfs op de warmste zomerdagen konden mijn armharen rechtovereind staan. Op zo’n dag hing ma de was buiten aan de waslijn. De blauwe knijpers mochten alleen op pa’s T-shirts. Ja, ma had zo haar eigen systeem voor het gebruik van knijpers. Ze had nog net geen gebruikershandleiding gemaakt. Pa’s favoriete T-shirt was dat van de bierdrinkende walrus. Die zomerdagen eindigden met een BBQ in de tuin. Ik at altijd friet met een frikadel. Mijn pa was gek op vlees, mijn ma op salades. In bed luisterde ik dan naar mijn ouders die nog buiten zaten. Naar hun stemmen, naar de jazzmuziek. Zorgeloos viel ik dan in slaap.
Er was een tijd dat het anders was. Dan ging ik met vriendinnen winkelen om de gekste festivaloutfits te scoren. Op zo’n dag zaten we op een terras, dronken we een gezond fruitsapje en aten we een broodje met beenham, of zoiets. We lachten om elkaar en om alles om ons heen. De mensen die voorbijliepen, de dingen die we zagen. Woorden hadden we niet nodig. Alleen een blik. Met die vriendinnen kon ik uren praten. We praatten zelfs door tot de vogeltjes wakker werden. Pa keek ons dan de volgende ochtend hoofdschuddend aan. Niet zijn ding. Pa hield van slapen en geloof me, ik ook. Maar een nacht over van alles praten heeft ook wel wat, toch?
Er was een tijd dat het anders was. Nu staar ik naar de gele muren. Die had pa jaren geleden gewit. Je ziet precies waar ma’s schilderijen hingen. Ma was dol op kunst, vooral op die van Mondriaan. Ik staar naar buiten. Zo heb ik weken niks. En zo heb ik in één week drie crematies. Ik weet niet anders, ik ken niet anders. Nee, dat is niet waar. Ik weet hoe het anders was. Ik ken het gevoel, de sfeer, de liefde. Ik ken het, ik heb het gevoeld. Ik lust wel een bakkie troost en toch, ook met koffie, zeg ik: liever vandaag dan morgen, want er was een tijd dat het anders was.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal Bakkie troost van Chynna Jansen:

Goed verhaal, want: Het verhaal raakt, de herhalingen zijn mooi en die wordt op het eind ook nog mooi teruggepakt. Je voelt hoe gelukkig haar jeugd was en hoe ze daar met liefde aan terugdenkt.
Verbeterpunt: Het thema is er een beetje geforceerd in verwerkt, en drie crematies in een week is een beetje gek. Het is vrij onduidelijk wie er dan afgelopen week zijn gestorven, we hebben het gevoel dat de moeder al langer dood was. Het ‘pa en ma’ is wat afstandelijk. Gezien de liefde in het verhaal, zou papa en mama beter staan.
Mooiste zin(sdeel): “Ik weet hoe het anders was. Ik ken het gevoel, de sfeer, de liefde. Ik ken het, ik heb het gevoeld.”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

De grote mannentafel

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 5 is het verhaal De grote mannentafel van Ezra Wildbret geëindigd. Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


De grote mannentafel

We zijn nog niet begonnen,’ zei de man met het zwarte, krullende haar.
De twee andere mannen keken hem aan.
‘Hij is er nog niet. Geduld.’
Het felle TL-licht scheen over de gezichten. De klok tikte luid in de woonkamer waar Perzische tapijten en tierlantijntjes de inrichting domineerden.
‘We wachten uur, Kalit,’ zei de man links van Robin met een zwaar accent.
Kalit boog zich naar voren. ‘Deze deal is belangrijk, toch Yunus?’
Yunus knikte.
‘Drink dan en heb geduld.’
Robin haalde diep adem. Het was heel makkelijk, had zijn vader gezegd. Naar binnen gaan, gaan zitten, wachten, geld geven, walrus in je tas doen en weggaan.
‘Een koud kunstje’, had hij het genoemd. Robin vond het geen koud kunstje. Het was behoorlijk warm in de kamer.
Kalit schoof hard zijn stoel achteruit. Hij verdween achter de gangdeur en kwam terug met een grote waterpijp. Hij zette hem op tafel en fikte de kooltjes aan met zijn zilveren aansteker. Hij haalde een mondtuitje uit plastic en schoof hem op het uiteinde van de slang. Robin volgde elke beweging nauwkeurig. Kalit lurkte een paar keer hard aan de slang, waardoor het water ging bubbelen.
Hij hield de slang voor Robins neus.
‘Jongen jong. Heel jong,’ zei Yunus.
De man keek hem doordringend aan met zijn donkere ogen. ‘Hij zit aan de grote mannentafel nu.’
Robin deed het tuitje in zijn mond en zoog. Een lawine stof vulde zijn longen.
Hij kuchte en hoestte, tot groot vermaak van de rest. Rook kwam op dezelfde manier uit zijn neus als uit zijn vaders neus, als hij een sigaret rookte.
Hij was die middag in zijn stoel blijven zitten en had bloed overgegeven.
‘Blijf thuis ,Herman,’ had zijn moeder gesmeekt.
‘Dit is belangrijk. Deze zorgen,’ hij wreef over zijn borst, ‘zijn voor morgen.’
‘Kijk dan toch naar jezelf. Je kan niet eens opstaan met dat logge lijf van je.’
Zijn vader had naar Robin gekeken, waarop zijn moeder hem alleen maar strak aankeek en zei: ‘Als je het maar uit je hoofd laat.’
Herman had toch zijn vrienden gebeld en Robin op pad gestuurd.
De deur ging open en er kwam een dunne man binnen open.
‘Merhaba,’ zei hij terwijl hij Kalit op zijn wang kuste.
‘Merhaba Osman,’ knikte Kalit op zijn beurt. Osman groette de rest van de mannen en trok zijn wenkbrauw op bij het zien van Robin.
‘Hermans jongen,’ zei Kalit.
Ondanks zijn argwaan, zette hij een pakketje op tafel voor Robin neer. Het was in flinterdun papier verpakt. Robin kon door het papier heen kijken. Hij snapte niet wat zijn vader met een grijs walrusbeeldje wilde. Voordat Robin het kon pakken, legde Osman zijn hand erop.
‘Betalen.’
Geschrokken draaide Robin zich de andere kant op om zijn rode rugzakje te pakken. Hij bukte en had bijna de hengsel vast. Een zwaar geluid achtervolgde hem. Hij begreep niet wat er gebeurde, totdat er naast zijn handen iets kapot viel. Grijze scherven verspreidden zich op de vloer terwijl er wit poeder tussen de gleuven van het hout verdween. Als laatste schoof de slang van de waterpijp van tafel. Alles kieperde op de vloer. Kolen en al. Het was doodstil. Robin durfde niet overeind te komen, zijn adem stokte.
‘Grijp hem.’
Robin kwam langzaam in beweging. Hij pakte zijn rugzakje en stoof door een paar benen heen. Kalit stond voor de deur. Hij tilde Robin op en kneep hard in zijn armen.
‘Besef je hoeveel geld?’
Yunus stond met drie passen naast Kalit. ‘Laat jongen gaan. ‘
Kalit kneep alleen maar harder.
‘Zoon Herman. Laat gaan.’ Yunus duwde Kalit en trok een zakmes. Robin viel op de vloer, krabbelde overeind en rende naar de voordeur. Zo snel als zijn beentjes hem konden dragen rende hij de trappen af totdat hij de buitenlucht op zijn gezicht voelde.
Hij rende en rende. Zijn vader zou vast teleurgesteld zijn. Hij had veel meer laten vallen dan alleen een walrus.
Deze zorgen waren niet voor morgen.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal Grote mannentafel van Ezra Wildbret:

Goed verhaal, want: We zitten erbij, daar in die kamer met die creepy gasten die zo ver van Robins wereld afstaan. Het verhaal kent een zekere spanning, de sfeer is goed neergezet, je voelt de vibe. Het is interessant. Je wilt verder lezen. Het is heel beeldend geschreven. Je ziet al hoe in een verfilming Ton Kas de bloed hoestende vader zal spelen. Fijne balans tussen dialoog en vertelling. Sympathieke drugslord die Yunus trouwens, niet bepaald je typische Mocro Maffioso.
Verbeterpunt: Meer spanning in het einde, nu mag die jongen vrij snel weggaan, zonder dat we de consequenties weten. We weten dat de hoofdpersoon zich zorgen maakt dat zijn vader teleurgesteld zal zijn, en dat is het dan. Het is wat leeg. De bewoording is lichtelijk cliché: een koud kunstje, een stokkende adem, tot groot vermaak van de rest.. Sommige dingen moesten twee keer gelezen worden voordat duidelijk was wat er gebeurde. Tekstueel kan het dus scherper. Check op spelfouten en neem wat meer de tijd voor je zinnen.
Mooiste zin(sdeel): “‘Dit is belangrijk. Deze zorgen,’ hij wreef over zijn borst, ‘zijn voor morgen.’”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

Maandagmorgen

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 6 is het verhaal Maandagmorgen van Florian Teufer geëindigd. Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


Maandagmorgen

Maandagmorgen Joris schoof twee bammetjes Portugese grilworst naar binnen en spoelde de droge broodhompen weg met een koud glas melk. Nog steeds zat er een brok in zijn keel, ter grootte van een tennisbal.
Zijn huis lag aan de vijver en het keukenraam keek uit op zijn basisschool; De Damrakkertjes. Joris zat al in groep acht, de jaren gingen snel, maar niet snel genoeg naar zijn smaak. Zouden ze er al staan, vroeg hij zich af. Een nieuwe schoolweek was weer begonnen, het weekend was veel te kort geweest. Joris gluurde uit het keukenraam door zijn vaders verrekijker. Meegenomen van zijn vakantie naar Afrika, afgelopen zomer. Zijn vader had een koffer vol exotische spullen meegenomen. Waaronder een kleed van zebravacht en een stuk ivoor, van een olifant.
Bas, Floris en Jan-Willem stonden zijdelings voor de ingang van het schoolplein. Meisjes mochten erlangs, jongens moesten een gulden betalen. Dat ging zo sinds de vijfde klas. Inmiddels wisten de kinderen van De Damrakkertjes niet beter. School is voor niemand makkelijk. Domoren krijgen later een minimumsalaris, dan kunnen ze beter alvast beginnen met sparen. De rest – de snuggere kinderen – verdienen die guldens later dubbel en dwars terug.
Voor Joris gold een uitzondering op de regel. Joris deed dieren na, voor het vermaak van Jan-Willem. Dan trok hij zijn iets te zware jongenslichaam in een kastanjeboom, als een gorilla. Of kroop hij op handen en knieën door het gazon, als een hond. Of at hij mieren, als een miereneter. Hij kon het allemaal goed, het acteren zat in het bloed.
Ooit had zijn vader zich drie weken niet laten zien, moeder zei dat hij er met een ander vandoor was. Bij terugkomst zei vader dat het allemaal flauwekul was. Moeder had het overtuigend gespeeld. Sindsdien drinkt ze graag rode wijn, om beter in haar rol te komen. IJzersterk. Vandaag moest Joris een walrus nadoen, dat had Jan-Willem hem vrijdag op dringende toon verteld.
Hij pakte het ivoor van zijn vaders kastje en stopte het in de achterzak van zijn spijkerbroek. Het was kwart voor acht. Een kleine vijf minuten tegen de wind in trappen en hij was er al. Hij parkeerde zijn fiets om de hoek van De Damrakkertjes en liep richting de ingang van het schoolplein.
“Je bent laat,” zei Jan-Willem.
“Het is tien voor acht,” zei Joris.
“Draag jij nu ook een horloge, vlezig mannetje?” zei Floris.
“Het is tien voor acht, we moeten naar binnen.” zei Joris en hij zette twee stappen naar voren.
“Ben je het vergeten?” zei Jan-Willem.
Hij was het niet vergeten, hij wilde het niet weten. Dat was toch echt iets anders. Op het moment dat Joris een stap naar achteren zette drukte Bas zijn met eelt bedekte handen in zijn zij. Floris greep zijn benen en samen tilden ze hem op. Joris stribbelde niet eens tegen. Met een doffe plons kwam hij terecht in het januarikoude water.
“Ik zei toch, je bent vandaag een walrus,” zei Jan-Willem.
Joris klauterde klunzig, maar rustig de vijver uit via de kade. Klemde het ivoor stevig in zijn rechterhand, hief het ter hoogte van zijn mond en stak het zonder twijfelen in de buik van Jan-Willem, als een wild dier. Jan-Willem zakte naar de grond met twee groene jongensogen vol onbegrip.
“Ik heb geoefend, vind je het wat?” fluisterde Joris in het oor van Jan-Willem.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal Maandagmorgen van Florian Teufer:

Goed verhaal, want: Mooie zinnen, goed de personages neergezet voor zo’n kort stukje, verhaal wekt de interesse, spoort aan tot doorlezen. Leuke setting en een grappig plot. Blijft tot vlak voor het einde spannend, boeiend en vermakelijk. En er is creatief omgegaan met het thema!
Verbeterpunt: Waarom heb je gekozen voor verleden tijd? Ook lijkt het taalgebruik niet te passen bij een achtstegroeper. En waarom moet ‘ie naar school op de fiets, terwijl hij het gebouw kan zien vanuit zijn keuken? Dan zou hij toch eerder gaan lopen?

Een iets realistischer einde zou het verhaal ten goede komen. Joris lijkt ons geen type om zomaar iemand neer te steken, daar moet minstens een schoolreünie aan te pas komen. Als hij zich jarenlang heeft kunnen ‘harden’, nu zat er slechts een weekendje tussen de pesterijen en hij is bangig als hij naar school toe moet. Tot slot: Een Joris en een Floris in een verhaal is verwarrend.
Mooiste zin(sdeel): “‘Sindsdien drinkt ze graag rode wijn, om beter in haar rol te komen.’”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

Deze 2 weken verhalen van HVA studenten

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Schrijversgenootschap de (Voorheen) Lege Bladzijde (ja, dat is onze volledige naam) voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd.

De afgelopen weken zijn studenten van deze minor aan de slag geweest met een opdracht die wij voor hen in het leven hebben geroepen. Het idee was simpel: schrijf een kort verhaal binnen het thema ‘Walrus’. Jawel.

De komende twee weken presenteren wij de zes beste verhalen, uitgezocht door de vaste schrijvers van Het Genootschap. Natuurlijk met een klein juryrapportje onder elk winnend verhaal

Kortom: even geen verhalen van de schrijvers waar u zo dol op bent, maar zes ook heel leuke gastschrijvers uit de kweekvijver die de Hogeschool van Amsterdam heet.

Veel plezier de komende dagen en voor de winnaars: gefeliciteerd!

Standaard
Zeker en vast

Hella en Roderik

De liefde voor old timers had ze bij elkaar had gebracht, nu vijftien jaar geleden. Dat had hun leven compleet gemaakt. Zij, Hella, had haar blauwe Lelijke Eendje uit 1965 ingeleverd, dat kon het toch niet meer bijbenen. Vanaf dat moment reden zij elke lente in zijn, Roderiks, rode Alfa Romeo Giulia 1600 Spider uit 1967: dat wil zeggen hij reed, zij deed de navigatie. Met de old-timers club trokken zij heel Europa door. Ieder jaar in mei werden de kostbare bolides op een truc geladen en reden zij een parcours: Monte Carlo, Nice, Pyreneeën of Jutland.
Roderik en Hella vormden een volmaakt gelukkige dinkiepaar, double income, no kids. Zij deed de buitenkant, hij verzorgde de binnenkant van hun glanzende twoseater; zij zorgde voor proviand in een passend lunchmandje, hij hield de benzinemeter in de gaten. Dat de rolverdeling nogal traditioneel was, viel in de old-timers club totaal niet op.

Toen kwam de wettelijke verplichting om veiligheidsgordels te dragen. Ze werden ingebouwd, maar Roderik weigerde vervloekte gordels om te doen. Dat hoorde niet bij een old timer. De boetes nam hij voor lief. Hella droeg ze wel. Zij dacht aan de levensverzekering. Het bleef een dispuut.

Dat de TomTom uitgevonden werd, verstoorde de verhoudingen meer. Hella verzette zich hevig, maar Roderik bleek geturfd te hebben hoe vaak ze waren omgereden, hoe vaak de weg kwijtgeraakt. Hella had er geen antwoord op. Sindsdien gaf een dame in sappig Vlaams richting aan hun tochten. Hella verstilde en snoerde de veiligheidsgordel nog iets vaster.

Sinds de Vlaamse dame was het er niet gezelliger op geworden. Toch zou geen van het willen missen, dit jaarlijkse uitstapje. Ze genoten van de gesprekken aan tafel met de andere stellen, Harriët en Amberto uit Vlaanderen (Daimler Benz), George en Ariënne uit Engeland (Porsche), Rudolf en Trude uit Luxemburg (Bentley). De auto’s en de reacties daarop vormden een oneindige bron van gesprek. Dit was hun club, hier hoorden ze bij. Dat ze onderweg zoveel bewonderende blikken trokken, compenseerde de verkilde verhouding. Voor Hella was het de enige reden om zich nog op te maken: de camera’s flitsten voortdurend. Voor Roderik was het een stimulans zijn talen bij te houden.

Dit jaar was Toscane het reisdoel. Vandaag waren ze van Pisa naar Siena gereden. Hun zeldzame Alfa Romeo was hier het paradepaardje van de club. Italianen smolten als ze het rijdende monumentje in het vizier kregen, zeker als de linnen zomerkap omlaag was.

Dat het programma vandaag vertraging opgelopen had, was jammer. Op Il Campo, het centrale plein van Siena, was er vendelzwaaien. Het verkeer rondom het beroemde stadje zat muurvast. Zo kwam het dat de old-timers club in het donker – dan reden ze normaal nooit – bij de agriturismo arriveerde. In het duister viste Roderik zijn koffer uit de kofferbak. Dat Hella juist toen hij het kofferdeksel dichtgooide, haar hoofd naar voren stak om nog een paar schoenen te pakken moet wel een ongeluk geweest zijn. Dat Roderik volgend jaar weer met de old-timer club zal meerijden, nu met Anja naast zich, valt op voorhand echter niet uit te sluiten.

Door: Bart Top

Standaard
Zeker en vast

Een droom in het park

Dit is een verhaal over een droom die ik had terwijl ik in een park lag weg te doezelen. Ik vertel het vast vooraf, zodat je aan het eind niet denkt: ja, maar ho even, dat is lekker makkelijk zo.

In mijn dromen ga ik nooit dood. Soms droom ik nog over neuken, maar meestal gaan mijn dromen over angsten. Angsten in gemodelleerde werelden waarin ik op zoek moet naar mezelf, in willekeurige vormen. Soms moet ik een bal zoeken in een bos met agressieve honden, een vallende vrouw vangen op een steil pad met boosaardige reuzen of een bepaald geluid reproduceren in een doolhof vol geluiden. En soms droom ik dat ik alleen nog maar verwijzingen naar literaire grootmachten kan gebruiken. Allemaal dromen waarin ik op randjes balanceer.

In elke droom ben ik iemand anders, draag ik een ander masker en tijdens de zoektochten ervaar ik vooral de angst om erachter te komen dat er niets achter die maskers zit. Geruststellend zijn de woorden van Ilja Leonard Pfeijffer in het fantastische Brieven uit Genua, over Gerrit Komrij: ‘Ik begreep dat zich achter al zijn maskers niemand schuilhield omdat hij al zijn maskers waarlijk was.’

De geur van zonnebrand, barbecue en jonge honden raast over de grasvelden van het wijd uitgestrekte park. Allerlei soorten beest drentelen om elkaar heen en ik zit er op een kleed middenin. Reuen, wolven, mensen en teven, allemaal kiezen ze op hun eigen manier hun plek in het veld. Jagers en vissers, prooien en vissen.
Dierlijke instincten worden in het algemeen geassocieerd met de actieven, die direct op hun prooi afgaan. Met hen die niet denken, maar doen. Maar de beesten die rustig wachten, hun tijd berekenen, passief zijn zonder enkele negatieve connotatie, zij met het lange kijken, zij maken evengoed gebruik van hun instinct. Ze volgen hun driften van de natuur echter op zeer bedeesde wijze op.

Boven ons een aantal nietszeggende vogels en ik kijk wie er allemaal zijn. De vrouw met de verlopen tatoeage en het oranje broekje. De verkoper met de ijsfiets en de dreadlocks. Ouderen met de hoest op het bankje. Het zelfportretterende meisje met de doppen in haar oren. De gemeentewerkers met hoeden op hun hoofden. De twee honden, nat van de vijver, die om en om de haas spelen. De man met de grote pet en de djembé.
De knuffelende vader met de baby met een vissershoedje op. De man met het bijzondere boek dat ik nog moet lezen. De fietsers met hun figurantenrollen. De baby met de luier die moet worden verschoond. Ik lijk ze allemaal te kennen.

Terwijl ik wacht op mijn opdracht vraag ik mij kort af: tot welke leeftijd mag je andermans billen afvegen in het park? Stel ik had een incontinente vader – let wel, dit is een droom, deze voorstelling is volledig visueel voor mij – zou het worden geaccepteerd als ik hem van zijn vuil zou ontdoen? Als ik hem op zijn rug zou leggen, zijn benen omhoog zou houden en een nat doekje door zijn billen zou halen? Of zouden de passieve mensen over ons fluisteren en de actieve mensen mijn vader en mij van allerlei kanten filmen? En wat als ik gewoon iemands billen wil afvegen zonder dat daar enige vorm van incontinentie of noodzaak bij komt kijken?

Naarmate de zon zijn sterkte verliest, wordt de geur van zonnebrand en barbecue verruild voor die van wiet en drank. Ik kijk wie er nog over zijn. De vrouw met de verlopen tatoeage en het oranje broekje loopt net weg, de man met de grote pet pakt zijn djembé in en de fietsers met hun figurantenrollen hebben een veel minder sterke functie dan voorheen. Ik ben alleen aan het raken. De ruimte om mij heen wordt almaar donkerder. Er komt maar geen opdracht, ik hoef hier niks te doen. En net als ik op het punt sta te beseffen dat het mijn grootste angst is om helemaal geen droom te hebben, word ik volledig tevreden wakker.

Standaard
Zeker en vast

Heen en weer weg

Nard trekt zijn muts van zijn hoofd en dept met een blauwwit geruite zakdoek het zweet.
‘Tabee, hè!’, roept hij en hij kijkt toe hoe de auto’s de rijplaat af rijden.
Wacht hij even? Twee over twaalf, wijst zijn horloge. Die afschuwelijke 1 mei staat tussen het midden van de wijzerplaat en de drie. Hij wacht altijd. Als hij nog koplampen zag naderen vanuit de polder, wachtte hij zeker. En als ze dan afsloegen in de laatste bocht voor de veerweg, had hij voor niets gewacht, maar dat gaf niet. Naar de overkant moest –ie toch, of dat nou om twaalf uur was of vijf minuutjes later. Hetty ging steevast om half tien naar bed, dus voor haar hoefde hij zich niet te haasten.

De wijzer passeert de vijf en hij jaagt de motor aan.

De maan staat hoog. De sterren begeleiden hem.
Natuurlijk had de krant gebeld, en de lokale televisiezender. Ze wilden er bij zijn. Maar hij had nee gezegd. Tegen allemaal. Zijn laatste vaart wil hij net zo min in de schijnwerpers staan als zijn hele 47 jaar lange werkzame leven. Praatjes met zijn klanten maakte hij wel; hij was graag onder de mensen. Maar hij wilde niet met zijn kop in de krant. Toch was er een artikeltje verschenen, dat hij afscheid nam. De redacteur had uitgerekend dat hij dit vaartje al ruim 800.000 keer gemaakt moest hebben.

Hij had het nog wel een miljoen keer willen doen.

De Maas kabbelt zover hij kijken kan. De pont maakt grovere slagen in de golven en even later klotsen ze tegen de oever. Het geluid van de nacht klinkt voor iedereen anders. Tramgerinkel voor stadse Amsterdammers, loeiende koeien voor melkveehouders, stampende muziek voor clubeigenaren, de zware adem van een slapende vrouw voor zorgelijke mannen.
Zíjn nachten klinken zoals nu, water tegen de maasoevers, het gakken van een aalscholver, een plons van een snoek die de weg kwijt is.

Een traan glijdt door de plooien van zijn gezicht. Wegvegen doet hij hem niet.

De oprijplaat schuurt over de veerstoep. Het gegil in de nacht, ook dát is zijn geluid.
Nard loopt zijn kantoortje in en zet de dieselmotor af. Stilte. Hij kijkt om zich heen, veegt nu toch een traan weg en sluit de boel af. ‘Tabee, hè’, mompelt hij.
Hij gooit de touwen overboord en loopt over de rijplaat. De touwen vist hij uit het water en bindt hij rond de palen die al langer dan 47 jaar op de veerstoep staan. Hoeft al lang niet meer, sinds alles gemoderniseerd is. Maar toch, zo heeft Nard het altijd gedaan en nu weet hij tenminste zeker dat de boot niet afdrijft.

Een nieuw geluid doorbreekt zijn nacht.

Eerst snapt hij niet waar het vandaan komt. Maar dan voelt hij het bijbehorende trillen in zijn borstzakje. Een smsje van Hetty, voor het eerst in 47 jaar.
‘Ik brn trits op je. Ik hou vsn je. Tot zo.’

Tot zover.

Standaard