Slapeloosheid

Hulp nodig

Een prater is Hendrik nooit geweest, dat weten ze allemaal op de afdeling. Maar het zwijgen waar hij zich de laatste dagen schuldig aan maakt, begint Marjon nu toch wel heel erg verdacht te vinden.

Ze rolt haar stoel naast zijn bureau en na een zenuwachtig kuchje opent ze het gesprek.
‘Hoi Hendrik, hoe gaat het met je?’
Hendrik antwoordt niet, houdt zijn ogen strak op het beeldscherm waar een spreadsheet met veel getallen al de hele ochtend de dienst uitmaakt. Een kleine tegenslag, maar Marjon laat zich niet uit het veld slaan. Ze is een doorzetter en er van overtuigd dat iedereen te redden is. Hoop is er altijd. Dat had ze geleerd van dominee Graafsma en hij kan het weten. Zijn kerk zit elke zondag vol met mensen die hij heeft gered uit de duivelse tentakels van instanties als de Postcode Loterij en wie weet wat nog meer.
‘Wat is er toch?’ vraagt ze. ‘Slaap je wel goed?’
Hendrik blijft stil, wat voor Marjon een teken is om haar stoel nog iets dichterbij te rollen. Ze ruikt hem nu goed. Goedkope deodorant vermengd met een doordringende geur dat weleens pindakaas kan zijn. In strijd met de kantooretiquette –boterhammen met pindakaas eten op de werkvloer is not done– maar dat zal ze later nog weleens bij hem aankaarten. Een probleem per keer, dat werkt het efficiëntst in de hulpverlening.
‘Hendrik, als er wat is, kun je altijd met me praten. Dat weet je toch?’
Voor maximale compassie legt ze haar hand op zijn arm. Een oud, maar doeltreffend hulpverlenerstruukje dat ze opgepikt heeft uit het boek Hulp Fiction: de zin en onzin van het hulpverlenen. En het lijkt te werken, Hendrik stopt met getallen invoeren. Hij draait zijn hoofd naar Marjon, kijkt haar even strak aan en zegt dan: ‘prima’. Hij wil weer naar zijn beeldscherm draaien, maar Marjon weet dat ze nu haar kans moet grijpen. Dit is de opening waar elke hulpverlener van droomt. Nu loslaten is dood- en doodzonde.
‘Maar echt!’, zegt ze hard, haar hand nog altijd op zijn arm. ‘Je kunt echt al-tijd bij mij komen! Met al-les.’
Hendrik knikt. Hij begrijpt het. Ze kijken elkaar even aan zonder iets te zeggen. Een goede hulpverlener moet ook goed kunnen zwijgen, weet Marjon van de dominee. Soms zei hij uren niks. En zij maar praten. Over haar problemen, de katten, die aflevering van Memories, loslatende plinten in de huiskamer en of ze Fifty Shades Of Grey nu wel of niet moet gaan lezen, want ze had er al zoveel over gehoord.
Ze schrikken op. Een kop koffie valt op de grond. Sander weer, die is altijd al onhandig geweest. Een tijdje geleden was hij het primaire hulpproject van Marjon geweest, maar hoe ze ‘t ook geprobeerd had, op de rails kreeg ze ‘m niet. Kleien, een zeiltje, het afbakenen van een safe space rondom zijn bureau: het hielp allemaal niet. Steek die geweldige postieve energie van je toch in andere mensen, had dominee Graafsma gezegd toen ze huilend bij ‘m was gekomen na weer een mislukte reddingspoging. Uiteindelijk had Marjon had het advies maar opgevolgd en haar slapeloze nachten over Sander behoorden meteen tot het verleden. Ze heeft zoveel te danken aan de dominee.
Maar nu zit ze met Hendrik in haar maag. Een dolend visje in een oceaan vol haaien. Een vork in een wereld vol met soep. De afgelopen nachten heeft ze nagedacht over haar reddingsplan. Het is lastig, want hoe red je iemand die niet weet dat-ie gered moet worden? Een subtiele aanpak is noodzakelijk, dat was meteen al duidelijk. Die fluwelen handschoen moet aan. Natuurlijk, ze had dominee Graafsma ook om tips kunnen vragen, maar dit keer wil Marjon het helemaal alleen doen. Wat zal hij trots op haar zijn als het lukt.
‘Luister, ’ zegt Hendrik luid, ‘er is niks met mij aan de hand. Ik heb het gewoon druk met die klote jaarrekening. En nee, ik slaap dus niet goed. Ik zit tegen een deadline aan en werk me al een paar dagen de pleuris om het op tijd af te krijgen. Dus stop alsjeblieft met dat Libelle-gezeik van je.’
‘Ik dacht dat we vrienden waren,’ zegt Marjon zachtjes.
‘Lieve help, nee zeg. We zijn collega’s. En als je het niet erg vindt, wil ik nu graag weer aan het werk. Dáág Marjon.’
Marjon knikt en rolt langzaam terug naar haar plek. Iets verder op vloekt Sander. Naast z’n bureau ligt een computerscherm.

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *