Jheronimus Bosch

Nomen est omen

Vanaf het moment dat hij haar voor het eerst zag had Harold uitgekeken naar dit moment: aangifte doen van een geboorte. En nu staat hij daar, in het moderne gemeentehuis van Almere, met zwetende handjes en de naam van zijn zoon opdreunend. Jheronimus Bosch, Jheronimus Bosch, Jheronimus Bosch.

Laura drukte hem van tevoren nog zo op het hart: “geef alsjeblieft een normale naam op, Harold!” Ze begrijpt er natuurlijk niets van, verward door hormonen en pijn. De zoon van Harold Bosch gaat Jheronimus heten. Bij de volgende gaat hij haar wel weer serieus nemen als ze suggesties als ‘Geert’, ‘Dylan’ en ‘Pieter-Jan’ doet. En dat weet ze ook. Maar ze bleef volhouden dat hun kind toch geen Jheronimus kon heten. Geen idee heeft ze, zo simpel is het.

Harold mocht naar het loket. Een slanke vrouw met kortpittig haar feliciteerde hem van harte met de geboorte van z’n zoon. Hij kreeg een formulier van haar en begon de benodigde woorden te vormen. Beginnend met z’n eigen naam.

Als je je voorstelt met ‘Harold Bosch’, dan gaan mensen er al bijna vanuit dat je een saaie baan hebt. En dus werd Harold accountant. Nomen est omen. Nomen est motherfucking omen. Jheronimus gaat een groot kunstenaar worden.

“En, hoe gaat onze nieuwe landgenoot heten?” vroeg de ambtenaar met een geamuseerde glimlach rond haar lippen.

“Jheronimus Bosch” antwoordde Harold.

“Oh, wat een ongewone naam, zeg!”

“Goed he!”

“Spelt u dat met met ‘H-I’?”

“Pardon?”

“Nu ja, gaat u voor een rechtstreekse kopie van de artiestennaam van ‘Hieronymus Bosch’ of vernoemt u naar de eigenlijke naam van deze prachtschilder ‘Jheronimus van Aken’?”

Op Harolds verzoek schrijft de ambtenaar de twee namen op een papiertje. Op het moment dat haar pen het papier verlaat, weet Harold dat hij zijn zoon niet ‘Hieronymus’ durft te noemen. Maar ja, Jheronimus Bosch slaat nergens meer op, nu hij veel te laat beseft dat dat nooit de naam is geweest van de grote kunstenaar. In z’n ooghoek dient een traan zich aan.

“Ach meneer, het spijt me. Laat u zich toch niet door mij beïnvloeden!” probeert de ambtenaar het nog goed te maken.

Harold ziet slechts het verloren leven van zijn pasgeboren zoon voorbij flitsen. Weg: opvallende basisschoolleerling. Weg: verlichtende puberteit. Weg: mislukte eerste studie die dieper inzicht brengt. Weg: overstap naar en glorie op de kunstacademie. Weg: de nederige kunstenaar die z’n eerste expositie opent en z’n trotse vader bedankt. Weg: de drugsverslaving. Weg: de comeback. Weg: het Jheronimus Bosch-museum in Almere.

Alles is weg.

Bedrukt vervolgt Harold zijn weg over het formulier, twijfelend en hakkelend schrijvend. Ondanks de uitsteltactieken helpen nauwelijks, want al gauw komt ‘voornaam kind’ in beeld. De pen hangt boven het papier. De aangediende traan rolt over z’n neus en valt op de ‘v’ in ‘voornaam’. Dan schrijft Harold de naam van zijn zoon op: Jan.

Standaard