Proper

Omdenken is een valstrik

Het is dinsdagavond en ik fiets van mijn werk naar huis. Het regent zachtjes. Ik heb een late dienst gehad en fiets zo snel mogelijk om nog een deel van de verlenging van de wedstrijd tussen Atletico Madrid en PSV mee te maken. Ik ben geen fan van PSV, integendeel, maar voor spannende momenten kun je mij altijd optrommelen. Ik snel door de Haarlemmerstraat en passeer meerdere cafés die de wedstrijd niet uitzenden. Ik zet aan, voor Centraal langs en ontwijk de toeristen net zo makkelijk als de regendruppels die uit de lucht komen vallen. Even denk ik na over welke constante stroom me het meest ergert en concludeer dat ze me eigenlijk allebei precies even weinig doen. De toerist heeft het erg zwaar te verduren in een stad als Amsterdam en ik wil niet meer te scharen zijn onder hen die zich zo overdreven opwinden over zijn aanwezigheid. Natuurlijk: toeristen zijn dom, stoned, goor en lopen doorgaans overal in de weg. Maar je kunt er voor kiezen om er om te lachen of om om te fietsen. Hoewel escapisme natuurlijk nooit een permanente oplossing is.

De regen heeft het ook zwaar te verduren in dit land en ligt voortdurend onder vuur. Ik heb nooit begrepen dat een volk na eeuwen van gematigd zeeklimaat nog steeds kan zeuren over de regen en wind die het met zich meebrengt. Waarom kunnen wij Nederlanders ons klimaat niet omarmen, laat staan accepteren? Escapisme is ook hier een tijdelijke oplossing. Na vakantie kom je toch altijd wel weer terug.
Ik stel mezelf nog een vraag: ergeren mensen zich echt aan toeristen en regen, of is het kankeren om het kankeren? Dan besluit ik dat ik hier geen zin in heb op de dinsdagavond op de fiets en dat iedereen lekker mag kankeren wat hij wil. Omdenken is een valstrik en ik trap door.

Ik kom langs een hotel aan de Prins Hendrikkade en zie dat in de lobby een televisiescherm hangt. Er beweegt van alles op een groene achtergrond. Voetbal, dus. Ik zet mijn fiets op slot, loop naar binnen en zie dat de penaltyserie al begonnen is. Binnen ruikt het naar afhaal.

Ik vraag aan de kale beveiliger achter de balie of ik even mee mag kijken. Hij knikt. We zijn met zijn tweeën in de lobby en kijken samen, hij vanachter de incheckbalie en ik vanaf de rand van de leren bank die recht tegenover het televisiescherm staat, hoe PSV-speler Davy Pröpper een aanloopt neemt.

‘Man van wedstrijd, Proper,’ zegt hij met een accent en als ik hem aankijk, knikt hij naar het scherm. Hij spreekt het uit alsof proper het nieuwe woord voor cool is.

‘Wil je drinken?’ vraagt hij. Zonder te antwoorden haalt hij een pakje jus d’orange van een Duits merk achter de balie vandaan en gooit het naar me toe. Ik stel geen vragen. Met een rietje in mijn mond zie ik hoe Narsingh de bal op de lat trapt en hoe een verliezende groep jongens afdruipt in de stromende Madrileense regen. Ik hoor een analist in de studio zeggen dat de knop om moet bij PSV. De Eredivisie wacht, ze moeten weer terug naar Nederland.
Samen met de beveiliger rook ik nog een sigaret op de stoep van het hotel. Buiten is het inmiddels droog, tot opluchting van de beveiliger.
‘Ik ben hier blijven hangen. Ik was toerist, nu hotellobbyist. Ik kan niet aan die regen wennen,’ zegt hij terwijl hij met twee vingers zijn peuk een plas in schiet.
Ik pak mijn fiets en ga op huis aan. Ik bel iedereen uit de weg, maar gelukkig is het droog.

Standaard