Proper

Maar goed

Proper was misschien niet het juiste woord, maar toch had Berend het op de vakantiekaart naar zijn jonge vrouw geschreven. Het klonk als iets wat een schrijver zou zeggen: “Het huisje is proper en in al haar eenvoud niet te versmaden.” Daarbij was het hem meegevallen dat er dit keer niet was ingebroken; dit soort afgezonderde huisjes waren een makkelijk doelwit voor opgeschoten jeugd. Maar omdat allemaal op z’n kleine kaart te krijgen was ook weer iets waar hij niet op zat te wachten, dus soit.

Berend pakte een glas whisky en nam plek aan de houten keukentafel. Hij klapte de MacBook open en staarde naar de woorden waarmee hij gisteren had afgesloten: “Mensen vinden me leuker als ik zing.”
Een waardeloze zin. Al zat er wel een kern van waarheid in; zijn dochters mochten hem dan wel uitlachen wanneer hij meezong met de hoogste noteringen uit de Top 2000, maar op elk karaokefeestje op de zaak vergaapte al dat gepeupel zich wel aan zijn enthousiaste vertolkingen van de ene klassieker na de andere.
Maar om daar nou een hele roman aan op te hangen.

Hij pakte zijn pijp en liep naar de bibliotheek in de andere kamer. Ruim 23 jaar had hij er over gedaan om al die klassiekers te verzamelen. Het was dan ook niet zo zeer een uit de kluiten gewassen boekenkast, maar meer een prijzenkast. Ongekend hoeveel mooie zinconstructies hier op de vierkante meter in Zuid-Frankrijk lagen.
Maar je had er alleen wat aan op papier.

Buiten bleef Berend met z’n jasje aan een bessenstruik hangen. Een grote scheur, maar de zon bleef gewoon schijnen.
Hier mocht hij graag zitten, op het bankje voor zijn buitenhuisje op een heuveltje en dan maar staren in de verte. De frisse lucht inademen, vijf secondes binnenhouden (alsof het zijn verpeste stadse longen zou reinigen) en dan uitblazen totdat er niks meer over was.
‘Waarom,’ zei hij hardop tegen zichzelf, ‘waarom moet het schrijven toch altijd gelijk staan aan het lijden?’
Een fijne overpeinzing, eentje waar hij, de man die alles had, graag naar mocht terugkomen omdat het hem geruststelde dat zijn onvermogen tot creatie geen kwestie van gebrek aan talent was, maar simpelweg een gemis van ongeluk.
Hij stond op en knikte. Zo moest het gebeuren.

Het schemerde al toen Berend de laatste lege jerrycan weggooide. Aan zijn blazer veegde hij zijn handen af, te alle tijden proper blijven was het devies. Zachtjes zong hij een klassiek liedje van The Doors terwijl hij uit z’n broekzak een pakje lucifers viste.
Soit.

Standaard