Spelletjescafé

Vlooienmarkt

De vroege lentezon schijnt in de druppels van een kroonluchter en werpt vlekjes licht op de uitgestalde waren. Het is vroeg en daarom rustig op de vlooienmarkt. Geluiden van anderen, een zacht gesprek, een lach, iemand die kratten uit een achterbak laadt, drijven op de wind langs Lisette heen. Iets verder ruist een autoweg. Het bedrijventerrein heeft maar weinig bomen en in een enkele berk zit een merel dringend te fluiten. Hij krijgt geen antwoord.

Lisette gaat met haar handen over een bontjas, echt, mottig roodbruin bont dat stug is van de ouderdom. Achter haar hoort ze Martin haar naam noemen met een aarzeling in de eerste lettergreep. Ze wil wegkruipen in de jas, zich als een pluisje laten meevoeren in de wind, een grassprietje worden tussen de stoeptegels. Maar ze gaat naar hem toe.

“Wat heb je gevonden?”

“De moeder aller bordspelen.”

Hij houdt een monopolyspel omhoog, de doos nog helemaal intact en als hij de deksel optilt ziet ze nette, ongekreukte briefjes in de felle kleuren die je alleen bij ongebruikte spellen ziet. De onnavolgbare figuurtjes, het hondje, de hoed, het strijkijzer, zijn nog van lood en niet geverfd plastic zoals bij modernere versies.

Ze knikt, al is Risk de moeder aller bordspelen, maar ze knikt. Ze maakt enthousiaste geluidjes waarvan ze allebei weten dat ze geveinsd zijn. Het is een mooi spel en het zou goed in hun collectie passen.

De eerste keer dat ze het erover hadden was in de trein vanuit het noorden naar huis. Ze hadden met zijn tweeën een aantal dagen in een Fries vakantiehuisje doorgebracht, dagen waarin ze het nergens eens over leken te worden, ze zelfs ruzieden over wie de groenten zou snijden bij het koken. Met als hoogtepunt Martin die de dobbelsteen tegen de muur smeet tijdens een potje Catan. Er kwamen krassen in het schaap. Ze keken zwijgen naar de voorbijflitsende velden en in de wanhoop om het besef weg te maken dat ze het niet eens een midweek op elkaars lip uithielden –hoe zouden ze het dan een heel leven moeten doen –liet Lisette zich haar droom ontglippen. Haar heimelijke droom die ze nooit uitsprak want dan zou hij echt worden.

Martin deed niet of ze gek was en lachte haar niet uit. Hij keek haar alleen maar verbaasd en haast ontroerd aan. Hij droomde ook al jaren van het beginnen van een spelletjescafé. De details verschilden wat, zij wilde in Amsterdam blijven en hij terug naar zijn geboortestad Utrecht, zij zag het modern en vernieuwend voor zich en hij voelde meer voor een bruin café. Maar daar viel over te praten. En met het praten, plannen, spellen verzamelen en naar binnen kijken bij leegstaande cafés kwam de verliefdheid terug, in onvoorspelbare, nerveuze golven.

De eerste maand hadden ze zelfs geen ruzie meer. Heel even voelde Lisette zich licht, in een relatie met iemand die haar begreep, verbonden door dezelfde droom. En toen de ruzies terugkwamen, heftiger dan voorheen, bleef het spelletjescafé bestaan als een andere werkelijkheid waarin het wél klopte tussen hen. Dus ze bleven plannen en vlooienmarkten afstruinen op zoek naar aanvullingen voor hun groeiende collectie.

Lisette kijkt toe hoe Martin afrekent met cash en hoopvoller naar het spel kijkt dan hij in de laatste weken naar haar heeft gekeken. Ze zullen naar huis gaan, het in de kast zetten en tijdens de lunch praten over in welke stad ze hun spelletjescafé zullen vestigen. En vanavond, na het kijken van een film die ze zich daarna niet meer zal herinneren, zal ze zich in bed irriteren aan Martins ademhaling en het stukje van zijn rug dat onvermijdelijk tegen de hare aanligt.

Martin is alweer doorgelopen, op zoek naar het volgende spel. Lisette staat stil, gaat met haar vingertoppen weer over de bontjas. De verkoopster kijkt haar aan.

“Geïnteresseerd in de jas? Het is echt bont.”

Lisette knikt. Met haar andere hand omklemt ze de portemonnee in haar zak. Ze twijfelt, kijkt naar Martin en weer naar de jas. Dan schudt ze haar hoofd.

“Nee hoor. Bedankt.”

Ze loopt weg. In de berk fluit de merel door zonder gehoord te worden.

Standaard