Verhaal #632 • Afgesproken thema: Handstand

Ik zie mezelf

Mijn ijsje smelt. Blauwe druppeltjes kruipen over mijn hand en laten een plakkerig spoor achter. Een bolletje smurfenijs en een bolletje bananenijs. Hoewel ik tegenwoordig meer van chocolade houd, koos ik toch voor de smaken uit mijn jeugd. Snel lik ik aan het hoorntje om de druppels op te vangen en een rilling trekt door mijn lijf als ik de ruwe structuur op mijn tong voel.

‘Je dissocieert’, had de psycholoog aan het eind van de vierde sessie tegen me gezegd. Ik vroeg wat dat betekende en ze vertelde dat gedachten of herinneringen tijdelijk buiten het bewustzijn worden geplaatst. Als een soort afweermechanisme. De onbewuste variant op mijn drang om confrontaties te vermijden.
‘Ik zie dat je het moeilijk vindt jeugdherinneringen terug te halen. Daar praten we binnenkort over verder. In de tussentijd wil ik dat je jezelf in situaties plaatst waar je je als kind veilig voelde.’

Ik staar in de etalage waar ik vroeger voor zat als mijn moeder de V&D aan de overkant binnen ging. Het voelde als uren, maar waarschijnlijk was het hooguit tien minuten. Geen enkele moeder vertrouwt haar kind uren aan een etalage toe.
Het warenhuis is nu dicht, achter het raam hangen briefjes waarop staat dat de winkel ‘wegens omstandigheden’ is gesloten. Maar ‘mijn’ etalage is er nog, en de draaiende vitrinekast met beeldjes van Swarovski kristal doet nog altijd haar werk. De verlichting van de ledlampjes weerkaatst in de kristallen en ze projecteren een dans van schitteringen.
Ik sluit mijn ogen en zie mezelf als kind op de stoep zitten. Hier was ik gelukkig. Deze winkel was mijn oplaadpunt. Die twinkeling van de kristallen op zaterdagmiddag, overstemden de zwarte hel van doordeweeks.

Omdat ik het raar vind om als 31-jarige vrouw op de grond voor de etalage naar ronddraaiende beeldjes te kijken, loop ik door naar het pleintje waar een bronzen Harlekijn vroeger zijn eeuwige handstand deed. Kinderen klommen er in, hingen aan zijn benen die de lucht in staken, probeerden te staan op het hoogste punt en werden dan teruggefloten door ouders die het gevaar zagen.
Ik stond er bij en keek er naar met zweet in mijn handen.
Nu is het beeld weg en ligt er een enorme fontein op het plein.

Ik onderdruk de neiging mijn schoenen uit te doen, mijn broekspijpen op te rollen en met de spelende kinderen mee te spetteren. Peinzend kijk ik naar het water en ik probeer me te herinneren of ik vroeger wel impulsief mee kon spelen met andere kinderen. Ik sluit mijn ogen en zie mezelf achter het raam thuis staan, kijkend naar mijn zus en nichtjes die spelen in de sneeuw. Mijn oudste nicht trekt haar wantje uit en wenkt me, maar ik schud nee en steek mijn duim in mijn mond.

‘Waar komt dat dissociëren vandaan?’, vroeg ik aan het begin van de vijfde sessie aan de psycholoog. ‘Dat kan van alles zijn’, zei ze. ‘Als het de hoofdmoot van een psychische stoornis is, dan noemen we dat een dissociatieve stoornis.’ Ze legde me uit dat het vaak voortkomt uit angst, waarop een vecht- of vluchtreactie volgt. Ze vertelt nog eens dat het een onbewuste vorm van vermijding is. ‘Vermijden doe je zelf, dissociëren doet je brein. Als vluchten of vechten geen optie is, onttrekken je hersenen zich aan de situatie.’
‘Maar het kan ook door vermoeidheid komen’, sloot ze haar verhaal af.

In de fontein staat een meisje alleen. Een meter verder speelt een groepje kinderen in het water. Ze kijken naar haar. Giechelen met elkaar. Een jongen loopt naar haar toe, trekt aan haar haar en duwt haar in het water. Het meisje blijft zitten en kijkt mijn kant op. Ik sluit mijn ogen en zie mezelf.
Ik denk aan alle keren dat vluchten wel degelijk een optie was, als ik mijn benen maar in beweging kreeg. Maar ondanks alles wilde ik graag bij ‘het groepje’ horen. Het groepje dat op de parkeerplaats van het postkantoor tegenover me stond en me uitschold. De klappen en trappen waren ook erg, maar die kon ik pareren door te dissociëren, realiseer ik me nu ik naar het meisje in de fontein kijk.
Dus ik bleef. En ik…

Ik besluit het op vermoeidheid te houden en de zesde sessie te cancellen.
De psycholoog vindt het onverstandig, zegt ze aan de telefoon. Ze heeft het idee eindelijk iets te bereiken, ze noemt het woord vermijdingsdrang voor de zoveelste keer en vraagt of ik niet toch wil komen morgenavond.
‘Ik zou niet weten waarom’, mompel ik tegen de fontein en ik wandel naar de pizzeria op de hoek, waar ik vroeger aan het eind van een dagje winkelen altijd vocht met onhandelbare gesmolten mozzarella op mijn pizza margherita. Dat kan ik nu wel aan.



Wie is Linda van Doorn?

Linda is redactrice bij Lef Magazine, dramatisch theaterbeest uit 's-Hertogenbosch en specialist ‘lachen om flauwe grappen’ bij Het Schrijversgenootschap. ‘Ik werk met woorden,’ zei ze op haar sollicitatiegesprek en sindsdien moet ze van ons verplicht tijdens elke redactievergadering de superhandige Schrijversgenootschap-overall™ (met zakken voor alle soorten pennen en notitieblokken!) aan. Linda schrijft sinds februari 2014 voor Het Genootschap en haar indrukwekkende digitale fanschare rept al vanaf het begin van “de beste schrijver op de website”. Daar zijn we dus mooi klaar mee. Drama op de redactie. (JE / HdK) Volg Linda op Twitter →
Standard