Handstand

Klem

We zaten in het café aan het eind van onze straat. Dat deden we zo nu en dan. Als we eraan toe waren, maar meestal als we wisten dat het thuis uit de hand zou lopen. En dat Renske dan wakker zou worden. En dat er hier buitenstaanders waren om ons een beetje in toom te houden, was waarschijnlijk ook in ons voordeel.

Een liedje dat onderdeel was van een typische horeca-playlist op een dinsdagavond stond aan. We lachten erom hoe de tekst van de doorgaans door ons als afgezaagd bestempelde muziek ineens op onze situatie sloeg. Op dat soort momenten kon ik haar hand even aanraken zonder dat er nagedacht werd over wat dat precies voor consequenties had.

We waren er tot voor kort nog nooit geweest, terwijl we hier al drie jaar woonden. We hadden nooit echt de moeite genomen om de nieuwe buurt, die we wel al jaren onze buurt noemen, te verkennen.

De serveerster kwam. Uiteraard een vlotte, jonge meid met perfect blond haar en met borsten waar die horen te zitten. Mijn zucht merkte ze op – wat probeerde ik daar ook alweer mee te bereiken? – maar ik zat pas echt klem toen zij vroeg wat we wilden drinken.

Vroeger maakte het niet uit en kon ik zeggen wat ik wil. Ik was een man die lachte om het als grap bedoelde ‘zou je dat nou wel doen?’ Langzaamaan sloop de olijkheid eruit, waarna het van een gemeende opmerking naar een volledig routineus verwijt ging.

Als ik nu een biertje bestelde, kreeg ik iets naar mijn hoofd. Een zwiep, een opmerking of een asbak. Het een sloot het ander bovendien niet uit.

Als ik nu om een cola zou vragen, zou ze cynisch lachen. Want nu ineens wel, hè. Nu wel. En al het andere zou volledig gênant zijn; met een sinas, Fristi of Rivella raakte ik al mijn geloofwaardigheid kwijt. Ik koos voor een veilige route: we hadden thuis nog geen koffie gehad. Het likeurtje kon ik eventueel laten staan.

Het werkte: een vrij normaal gevoerd gesprek volgde. Althans, ik kon haar woorden vrij simpel pareren als was ik Edwin van de Sar in een winderige oefenwedstrijd in Hongarije. De wind kwam van voren, het regende pijpenstelen, maar toch zag ik elke bal aankomen. Bovendien kon ik bouwen op mijn verdedigers, ik wist precies wat ik aan ze had.

Het was echt de laatste keer geweest, zei ze. Ik lachte, van binnen. Ik hoefde mij dit keer niet in bochten te wringen.

Een man kwam het café binnen en vestigde de aandacht op zich door hard te roepen dat hij prachtige bloemen in de aanbieding had, als de doordringende geur die hij met zich meebracht hem niet al had verraden. Het was niet je typische rozenverkoper met een polaroid, maar een man met bosjes tulpen onder zijn arm. Toen hij langs ons tafeltje liep na enkel onsuccesvolle pogingen, liet hij zijn gebrekkige gebit zien en zei hij:

‘Soms is het de omgekeerde wereld, dan verkoop ik alles uit. Maar dat de wereld op zijn kop staat, maakt geen enkel verschil. Ik ben een gelukkig mens.’

Luid lachend verliet hij het café, ons achterlatend met een tulp.

Zij pakte haar jas, ik rekende af bij het knappe barmeisje en samen liepen we door de stromende regen naar huis. Voorzichtig pakte ik haar hand vast. Klem.

Standaard