Handstand

Een stevige hand

M’n opa, m’n opa, m’n opa.
In heel Europa is er niemand zoals jij.

We zongen het al in de auto, op weg naar opa en oma om daar de herfstvakantie te logeren. Oma deed de deur open, Saartje, de kat, zat in een doos in de woonkamer en opa was in z’n schuurtje aan het knutselen.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan!”

Zijn grote knuist sloot zich om mijn handje. Ik snoof de geur van hout en zaagsel op en keek door het achterste raampje naar de hazelaar. Alles was zoals het was.

’s Ochtends kwam ik beneden voor het ontbijt en zag opa in z’n grote witte ochtendjas al aan de tafel zitten. Z’n borsthaar genoot mee van de vrije ochtend.

Met een eiersnijder sneed opa een tomaat in plakjes, waarvan hij de helft aan mij gaf. Ze gingen op brood, ik mocht er wat suiker bij doen. Aan het einde van de maaltijd kauwde opa tevreden op z’n als toetje dienstdoende roggebrood.

Zondagmiddag deed oma een dutje en nam opa ons mee naar de kinderboerderij. Een van ons had een zak met oud brood voor de eendjes, een ander verzamelde pauwenveren, en opa sloeg het grote varken met vlakke hand op de bil. Hij lachte erbij en zei: “Zie je, voelt-ie niks van.”

Toen we ontelbare keren Dikkertje Dap hadden geluisterd en de week voorbij was gevlogen, namen we afscheid bij de voordeur. Van oma kregen we drie zoenen. Opa gaf een stevige hand.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan.”

Opa stond aan m’n bed. Een blindedarmontsteking had me bijna te pakken gehad, maar zoals het er nu naar uitzag ging ik het halen.

Hij omhelsde mijn moeder en ging zitten. Ze voerden een gesprek. Ik was er ook. Hij zal me gevraagd hebben hoe het met me ging, hoe ik me voelde, zoiets. Ik weet het fijne er niet meer van, was alleen maar blij dat opa er was. Toen hij wegging gaf hij me een hand. Zijn hand als een kolenschop, en de mijne als een bosje twijgjes, een hand waar al het vet uit verdwenen was.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan.”

Ik stond aan zijn bed. Hij ademde zwaar, z’n handen klemden rubberen buisjes vast, die moesten voorkomen dat z’n nagels in z’n handpalmen zouden snijden. Ik vroeg hem hoe hij deze dagen beleefde en hij zei: “Ik heb niet zoveel te koop.” Ik lachte, herkende het gevoel.

We namen afscheid. Met moeite tilde hij zijn verkrampte hand op. De mijne paste er maar net in.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan.”

In heel Europa was er niemand zoals jij.

Standaard