Verhaal #627 • Afgesproken thema: Coole gastjes

Regenwormen

Ze gooien hun fietsen in het gras, duwen het veehek open en rennen over de drassige velden van de uiterwaarden. Twee schoolvrienden op vrijdagmiddag op weg naar hun geheime plek om wormen te vangen, het laatste uur hebben ze overgeslagen.

Sinds Koen vorig jaar bij Lieuwe in de straat is komen wonen, zijn ze een duo. Er zitten ook maar twee huizen tussen die van hen. Lieuwe woont op Witmonnikswei 8, Koen is van nummer 14.

De slootjes die ze om de veertig meter over moeten, omzeilen ze behendig. Ze weten precies hoe hard ze moeten springen, wanneer ze moeten afzetten. Het gaat in vloeiende bewegingen, ritmisch, tot aan de laatste sloot. Daar staan ze stil. Het is elke week hetzelfde bij de grote sloot, geen van beiden wil als eerste springen. Hij is net te breed om er makkelijk overheen te springen. Ze doen papier, steen, schaar om te bepalen wie als eerste moet. Lieuwe verliest, maar hij maalt daar niet om. Sterker nog, hij is blij dat hij kan laten zien dat hij dit moeiteloos kan. Na een flinke aanloop bereikt hij met gemak de overkant.

Nu Koen nog. Hij trekt zijn laarzen steviger aan en haalt een paar keer diep adem. Steeds maakt hij aanstalten om te springen, maar op het eind houdt hij in. Lieuwe zit aan de overkant te zuchten, terwijl Koen zichzelf probeert aan te moedigen.

‘Je aanloop moet twee keer zo groot zijn als de breedte van de sloot. Zoals je broer je heeft verteld,’ zegt hij voor zich uit.

Koen schat de afstand in en zet gedecideerd een paar passen achteruit.

‘Het lijkt wel alsof hij elke week breder wordt,’ zegt hij.

‘Net als ik,’ zegt Lieuwe terwijl hij een pose aanneemt die typerend is voor bodybuilders.

Koen bijt op zijn nagels, hij voelt zich nog ieliger dan onder de douche na de gymnastiekles. Hij merkt dat Lieuwe ongeduldig wordt, die roept dat hij op moet schieten. Hij doet nog een stap achteruit, voor de zekerheid, en zet het op een lopen. De modder glibbert onder zijn laarzen door en hij glijdt bijna uit, maar met zijn hakken nog net op het droge haalt hij de overkant. Juichend rent hij zijn vriend voorbij en gaat alsnog onderuit. Lachend duwt Lieuwe hem opnieuw naar de grond als hij overeind krabbelt. Ze doen altijd wie het eerst bij de plek was.

Aan deze kant van de grote sloot bestaat er geen haast. Ze leunen tegen de boom die ze als hun eigendom beschouwen en die dienst doet als hun clubhuis.
Ze proberen te fluiten op de eikeldopjes die over de grond verspreid liggen. De zon verdwijnt langzaam achter een wolk, maar het hindert Lieuwe niet. Hij is met zijn hoofd ergens anders.

‘Heb je ze gezien, bij gym?’ vraagt hij.

Koen schudt van niet en gooit een dopje richting een kuiltje in de grond, als was hij aan het knikkeren. Het dopje eindigt een paar meter naast de pot.
Natuurlijk heeft hij ze wel gezien, niet te missen in dat witte T-shirt tijdens basketbal. Hij kijkt weg, omhoog en ziet dat de donkere wolken zich boven hen samenpakken. Hij voelt de eerste spatjes al op zijn handen.

‘Kom, laten we gaan.’
‘Nee, mafkees. Nu komen de wormen juist naar boven!’

Lieuwe knielt neer in de modder, om de wormen die de ondergelopen tunnels ontvluchten te kunnen grijpen. Hij woelt als een volleerd goudzoeker met zijn handen door de aarde. Koen staat ernaast met zijn handen in zijn mouwen en zegt dat hij nu echt naar huis wil. Dan heeft Lieuwe beet. Hij klieft de worm die hij zojuist uit de modder heeft gevist met zijn tanden doormidden.

‘Gaat-ie nu dood?’
‘Ben je mal. Dat beest leeft gewoon door.’

Lieuwe gooit de twee wormdelen naar Koen, die wordt geholpen door een flits en het harde gebulder van de donder.

De jongens proberen nog te schuilen bij de boom, maar ze zijn al volledig doorweekt. Ze zetten het op een rennen en komen aan bij de grote sloot. Zonder om te kijken springt Lieuwe eroverheen en wacht niet op Koen, die is blijven staan.

Hij neemt een aanloop, trekt zijn volgelopen laarzen nog eens stevig aan. Steeds als hij bij de rand is om te springen, houdt hij in.

De sloot is weer breder geworden, denkt hij.

Dit herhaalt zich tot hij beseft dat er geen andere manier is. Hij moet springen. Hij gaat springen. Hij springt en hij haalt de overkant niet.
Bedekt met slierten kroos en modder kruipt hij aan wal. Huilend rent hij door de graslanden, over de eenvoudig te nemen slootjes naar het hek. Daar ligt alleen nog zijn fiets. Zachtjes vervloekt hij zijn beste vriend.

Als hij door zijn moeder onder de douche is gezet en hij zijn pyjama heeft aangetrokken, pakt hij een wormenboekje uit de kast. Hoewel er wormsoorten zijn die gewoon verder leven als ze in tweeën worden gehakt, de regenworm gaat dood, basta.



Wie is Matthijs van Asselt?

Matthijs van Asselt is komiek, held en neus van beroep. Als hij zich niet afvraagt hoeveel vorken er in de wereld zijn, dan berijdt hij wel een groene tractor of geeft hij zomaar grasmaaiers weg via Facebook. Dat absurdisme typeert de schrijver Matthijs van Asselt waarbij niet alles lijkt zoals het is en zeker niet alles is zoals het lijkt en als het wel lijkt zoals het is, dan moet je er vooral niks anders achter zoeken, want het kan niet altijd raak zijn. Desondanks is Matthijs de absolute publiekslieveling van Het Schrijversgenootschap zoals Dirk Kuyt dat ooit bij Liverpool was. (JE / HdK) Volg Matthijs op Twitter →
Standard