Buurtcoach

Scherpte

Marco was zenuwachtig wakker geworden. Niet gek, vond hij, want vandaag was zijn eerste dag. Een uur voordat de wekker zou gaan stond hij al naast zijn bed. De poes wurmde haar lijf langs zijn benen, wat volgens hem twee dingen kon betekenen: een teken van affectie, of ze had behoefte aan eten.

In de badkamer keek hij via de spiegel naar zichzelf. Marco zag de oneffenheden op zijn lichaam, waarvan hij precies wist hoe ze er kwamen. Het litteken onder zijn linkeroog: hij was negen, een buurjongetje had op hem gevuurd met een Romeinse kaars. Geen baardgroei op een stukje van zijn kin: valpartij op straat, twaalf jaar. Voor de plekken op zijn schouders moest je bij zijn vader zijn.

Onder de douche vroeg Marco zich af wat de meeste mensen doen: eerst tanden poetsen, of eerst ontbijten. Zelf vond hij het prettig om eerst van de vieze smaak van de nacht af te komen. De eerste slok koffie was dan niet zo lekker, maar daarna ging het wel. En sinaasappelsap moest je mijden, wist hij.

Aan de ontbijttafel beet hij op zijn nagels. Hij had voor twee personen gedekt; Marieke zou zo ook wel willen ontbijten. Hij smeerde voor zichzelf een witte boterham met boter en pindakaas, maar liet die onberoerd. Het lukte hem niet om te eten, dus nam hij nog een kop koffie. Hij moest scherp zijn vandaag, hij mocht niks missen.

Hij keek naar haar, toen ze de keuken in kwam. Ze had een T-shirt van een rockband en een zwarte onderbroek aan. Zo een die haar niet onaantrekkelijk maakte, maar ook niet bepaald grote gevoelens van opwinding bij hem opriep. Ze droeg geen bh, dat wist hij, maar het viel hem eveneens op. Haar feitelijk niet tot rondingen te rekenen borsten leken als onevenredig groeiende bloemkolen door de stof van haar shirt te willen breken.
Ze strekte zich uit om een kom voor haar muesli te pakken. Hij hield zijn hoofd een beetje schuin, keek naar de contouren van haar vagina en dacht: daar moet een piemel in. Hij belegde twee boterhammen met pinda- en twee met smeerkaas, omwikkelde ze met aluminiumfolie en stopte het pakket in zijn jaszak.

Terwijl hij zijn fiets uit het schuurtje haalde, dacht Marco aan zijn vader. Dat hij ook altijd boterhammen mee naar zijn werk had genomen. Dat hij niet eens wist wat hij voor de kost had gedaan, alleen dat het niet veel had opgeleverd. Onderweg, fietsend, herinnerde Marco zich flarden van ruzies. Zijn moeder, schreeuwend dat iedereen een doel in het leven had. Dan het geluid, dan het gegil.
Marco trapte door. Hij vroeg zich af of hij trots op hem kon zijn, ergens. En andersom.

Bij de ingang van het buurthuis stond een aantal mannen. Zij droegen hetzelfde jack als Marco, dus dat moesten zijn nieuwe collega’s zijn. Marco gaf ze ieder een hand, zoals hij had geleerd. De mannen zelf tikten elkaars vuist aan.
Een man met HOOFDCOACH op zijn jas kwam aangelopen. Dat moet de hoofdcoach zijn, dacht Marco. De man liep op hem af en zei:

‘Jij moet de nieuwe zijn.’
‘Dat heeft u goed gezien. U heeft een erg scherp oog, meneer.’
‘Kom, we gaan naar binnen. We zijn haast te laat.’

Terwijl de hoofdcoach de deur voor hem openhield, keek Marco nog eens om. Een jongetje van een jaar of tien keek hem aan. Een grijs op zijn gezicht, een bal onder zijn arm. Zijn hoofd ietwat gebogen. Het jongetje pakte de bal met twee handen vast en deed alsof hij de bal naar Marco gooide. Marco struikelde over de drempel. Toen hij weer opkrabbelde, had hij niet door dat zijn in aluminiumfolie verpakte boterhammen uit zijn zak waren gevallen.

Standaard