korte verhalen
Buurtcoach

De jongen met de rode jas

Het is dinsdagavond en je zit tegenover een jongen die probeert uit te leggen wat een consultant precies doet. Een paar weken geleden hebben jullie op een feestje zo’n beetje tegen elkaar aan gehangen omdat het laat was en jullie allebei wat op hadden en je tot de beangstigende realisatie kwam dat op dat moment al je vriendinnen, zonder uitzondering, met iemand in bed lagen. Hij vroeg je nummer en nu zit je hier, in een café waar de muziek te hard staat. Je drinkt Bitter Lemon omdat je geen idee hebt wat je hier doet.

Hij is knap, denk je, en hij kan enthousiast vertellen over dingen die hij leuk vindt. Hij ruikt op een geruststellende manier naar aftershave. Maar je voelt het niet en je vraagt je af wat hij dan wel voelt. Hij doet zo zijn best. Als jullie afscheid nemen overweeg je even om hem te zoenen, omdat hij aardig en beleefd is en je dat moet aanmoedigen, of omdat je al een hele tijd niet meer met iemand gezoend hebt. Uiteindelijk fiets je toch alleen naar huis, en zijn teleurgestelde ogen verdwijnen al snel van je netvlies.

Onderweg passeer je twee jongens die het allebei overduidelijk wél voelen, voor elkaar dan, en je betrapt jezelf op de gedachte waarom zij wel en jij niet. Je vindt jezelf een triest geval. Even later denk je aan de pot Nutella die je nog hebt staan, aan de boterham die je te dik zult besmeren als je thuis bent of nee, de lepel die je in de pot zult steken en aflikken, twee, drie keer. Direct daarna besluit je om de pot in de prullenbak te flikkeren zodra je thuis bent.

Als je je fiets aan het vastzetten bent, staat hij ineens daar. Hij vraagt of alles goed gaat, noemt je mevrouw op een manier die meer klinkt als ‘mifrouw’. Voor je het weet heb je hem uitgenodigd om naar boven te komen en hangt hij zijn rode jas op terwijl je de waterkoker aanzet. Aan theezetten kom je niet toe. Hij lijkt niet verbaasd dat je zijn hand op zijn knie legt, misschien ben je niet de eerste die dit doet, misschien rekende hij er zelfs op toen hij op je af kwam. Het maakt niet uit. Hij zegt niet veel en zijn armen zijn sterk. Je valt in slaap tegen een warm lijf dat naar zweet en vreemdeling ruikt.

De volgende ochtend hangt zijn rode jas er niet meer. Je zet de waterkoker weer aan en schuifelt door het huis, op zoek naar een briefje, een teken. Je vindt niets. Je opent het raam en kijkt naar buiten, naar de nattige stoeptegels, naar de duiven die tussen het te vroeg buiten gezette grofvuil scharrelen. Je weet niet precies wat er is gebeurd, vannacht. Of je weet het wel maar doe je alsof je het niet meer weet. Je verschoont je bed en je wist het nummer van je date uit je telefoon. Hij was het niet. Maar gelukkig was er de jongen met de rode jas.

Standaard