XTC

De allerlaatste

Lieve Joris,
Ik neem vandaag de laatste. Neem jij ook de laatste, alsjeblieft. Of nee, doe dat niet; één laatste wordt een bacchanaal. Stop. Nu. Helemaal.
Mij lukt het niet. Doe jij het dan. Jij bent nog jong, je hebt een heel leven voor je, verpest het niet voor jezelf en je omgeving.”

Mijn handschrift is bijna niet te lezen door het trillen van mijn vingers. De pen glipt telkens weg, glibberig door het zweet, waardoor er vreemde uithalen op het papier verschijnen.
Hoe vaak heb ik niet gezegd dat het de laatste zou zijn? ‘Nog ééntje dan, voor ik naar huis toe ga.’ Om vervolgens vier uur later thuis te komen en dronken in mijn bed te rollen. Of erger nog, vier uur later thuis te komen en dan nog een stuk of zes laatste glazen nemen.

“Heb lief, houd van alles en iedereen om je heen, behalve van de drank en de pillen. Het brengt je niets. Het maakt je af. Het is troep, het is puur vergif. Anderen kunnen er van genieten, jij niet. Jij bent ziek en dat spijt me verschrikkelijk. Je hebt je prachtige ogen van je moeder en je mooie glimlach ook. Je ziekte heb je van mij. Ik heb alles verkeerd gedaan, ik hoop zo dat ik het nu goed doe.”

Nagels van schuld klauwen in mijn ziel. Ik herken de obsessie. Er is nooit een laatste. Ik wil er nog tien, dan stopt mijn lijf met trillen. Ik wil er nog honderd, dan voel ik niets meer. Ik wil er nog duizend, pas dan is alles oké. Maar elke eerste is er één teveel. Vanavond, de laatste is de laatste uitweg.

“Stop ermee, lieve Joris. Nee, niet wat ik doe. Dat verdien je niet. Je weet beter. Daar hebben we over gepraat toch? Ik hou van je, zoon, meer van dan wat ook. Het spijt me dat ik dat nooit genoeg heb laten zien.”

Hij zal boos zijn. Verschrikkelijk kwaad. Hij zal pijn voelen en de hoogste percentages innemen om dat te verdoven. Maar als de mist is opgetrokken zal hij nadenken en hopelijk weten dat dit een wanhoopsdaad is. Misschien is hij me dan dankbaar, als hij weet dat ik het deed om hem te helpen.

Mijn daad is een uitroepteken.

“Ik neem de allerlaatste, lieve Joris. Dan ben ik mensen minder tot last. Om half één moet hij in Den Bosch zijn, dus over een kwartier is hij hier. Ik moet gaan. Dag lieve Joris. Ik hou van je. Het spijt me zo.”

Standaard