XTC

Horres en Van Dam in: Arrestatie langs de Autoweg

Gedecideerd stak Horres zijn hand in het zakje met bruinig poeder dat ze achterin de zwaar gepimpte Volkswagen Golf hadden gevonden. Met het topje van zijn vinger drukte hij in het poeder en proefde het.
“XTC” zei hij zonder twijfel.

“Horres,” begon Van Dam, die met z’n rechterhand in z’n neusbotje drukte en z’n ogen stijfdicht kneep, “XTC zien we nauwelijks in poedervorm. Plus, aan de kleur te zien is dit duidelijk heroïne.”
Ook Van Dam proefde even. Hij knikte tevreden. “Het is toch ook van de zotte, Horres, dat wij hier een verkeerscontrole staan te doen. Wij! De beste rechercheurs van Amsterdam!”
Horres en Van Dam liepen gezamenlijk naar de bestuurdersstoel van de Golf en trokken hardhandig het opgeschoren kereltje eruit, die daardoor met z’n hoofd tegen de deur aan stootte en direct buiten bewustzijn raakte.
“Je zou toch denken dat er genoeg gewone agenten zijn om dit soort klussen uit te voeren”, zei Van Dam terwijl hij de arrestant een forse trap in zijn maag gaf.
“Ja”, beaamde Horres, die de jongen op zijn buik draaide en zijn knie met gepast geweld in de nek van de crimineel plantte.

“Ik bedoel,” ging Van Dam verder, zijn handboeien losgespend, “wij zijn denkers. Filosofen. Speurneuzen. Elke blauwe jandoedel kan drugs vinden in een auto. Je zou toch denken dat er nog genoeg onopgeloste klussen zijn voor echte oplossers.”
Van Dam deed de jongen zijn handboeien om en tilde hem vervolgens op aan de achter zijn rug geboeide armen. Horres greep zijn benen en samen liepen ze met de arrestant naar het arrestantenbusje, even verderop.

“Weet je, Horres, ik voel me gewoon niet echt gewaardeerd. Ik mis het geweldige gevoel van een opgeloste zaak. Het arresteren van dit soort klootzakjes boeit me gewoon niet genoeg.”
De twee rechercheurs lieten de jongen vallen. Van Dam opende de achterklep, waar een zestal andere arrestanten al op en over elkaar heen lag.
“Ik mis de spanning gewoon”, zei Van Dam, terwijl hij en Horres de jongen optilden en van je ene, tweeje, hopsakeeje bovenop de andere arrestanten gooiden. Ze smeten de achterklep dicht en liepen terug naar het Golfje.

“Hier ontbreekt die adrenalinekick”, klaagde Van Dam, die het zakje heroïne uit de auto viste, een lijntje op het dak van de auto uitlegde en zichzelf met een goeie snuif behielp. “Een beetje op de N232 staan grapjassen. Pfuh.”
Horres had inmiddels twee pijpjes Amstel uit de met politiestickers versierde koelbox gepakt en liep er mee naar Van Dam toe. “Ontspan een beetje,” zei hij, “drink wat.”

Gebroederlijk keken Van Dam en Horres uit over de donkere weg, waarop slechts zo nu en dan een auto voorbij raasde. Zo nu en dan nipten ze van hun bier, zo nu en dan haalde Van Dam z’n neus op. Pas toen ze een van de motoragenten weer zagen aankomen, met achter zich een auto met maar één werkend voorlicht, kwam er weer wat beweging in de twee sterren van de Amsterdamse recherche. “Ik tik ’t ruitje wel in,” zei Van Dam, “dan mag jij ‘m deze keer peppersprayen.”
“Aardig van je. Proost.”
Horres en Van Dam tikten hun flesjes tegen elkaar. Met dit verzetje konden ze wel weer even vooruit.

Standaard