Amsterdams gebouw

Als een gebouw

Ik duik diep in mijn jas en kijk naar de spiegelruit van het gebouw tegenover me. De ruit waar ik dag na dag tegenaan zit. Gek dat het me nooit is opgevallen dat de rest van het straatbeeld erin weerkaatst, inclusief mijn rug, maar die onttrok ik aan het zicht van anderen.

Ik kijk naar mezelf. In de spiegeling van de ruit is het winter, grijs en kil. Het herenhuis waar ik tegenaan zit, ziet er nu heel anders uit. Het is donkerder en de balkons onder de trapgevel lijken te golven.

Ik ben oud, ik weet niet eens precies hoe oud, maar dat ik de zeventig voorbij ben is zeker.
Mijn dagen breng ik door met zitten, kijken en wachten terwijl ik niet weet waarop ik wacht. Het gekke is dat ik gelukkig ben. Ik heb geen cent, geen dak boven mijn hoofd en ik ken weinig liefde, maar gelukkig ben ik. Ongegeneerd gelukkig omdat dit het is.

Vandaag ben ik aan de overkant gaan zitten. Bob, de kat die ik steevast van mijn plek jaag, heeft vannacht zijn kans geroken toen ik voor het eerst deze winter genoodzaakt was binnen te slapen. Dat katten stinken wist ik, dat het erger zou zijn dan mijn eigen stank had ik niet kunnen bedenken.
Bob is niet zoals ik, dat weet ik omdat hij een halsbandje draagt met daarop een telefoonnummer. 020nogwat. Vroeger onthield ik zulke dingen. Het telefoonnummer van mijn moeder zat nog lang na haar dood in mijn geheugen gegrift. Van elke auto die hier dagelijks voorbij kwam kende ik het nummerbord uit mijn hoofd.

Erik loopt aan de overkant van de straat. Ik weet niet of hij Erik heet, dat is de naam die ik hem gegeven heb. In mijn fantasie werkt hij bij de bank verderop. Hij begint om negen uur ’s morgens en geeft leiding aan de zakelijke afdeling. Om half zes gaat hij naar huis, waar zijn vrouw voor hem kookt en ’s avonds speelt hij een spelletje schaak met Jan, zijn zoon. Zijn leven hangt aan elkaar van zekerheden en loopt ‘op rolletjes’, zoals ze dat zo mooi zeggen. Maar nu even niet, zie ik. Nu aarzelt hij als hij langs mijn plekje loopt. Hij kijkt vertwijfeld om zich heen en loopt dan door naar de bank. Ik glimlach.

Er valt een euromunt voor mijn voeten, ik raap het ding op en kijk wie het naar me toe gegooid heeft. De man in de lange jas is al verderop, ik herken hem niet. Ik wil een bedankje roepen. Het is lang geleden dat iemand geld aan me gaf. De mensen die ik zo goed heb leren kennen zien mij niet. Ze haasten zich voorbij, op weg naar hun werk of naar huis via hun precies uitgestippelde route. De sporadische toeristen die in dit deel van de stad komen, kijken vooral op hun kaart en naar de straatnaamborden. Ik zou ze kunnen helpen; ik ken de stad op mijn duimpje, maar het komt in niemand op om mij om hulp te vragen.

Marianne komt de hoek om, met haar teckel Lola. Dit is haar vaste rondje, dat ze altijd loopt als haar man naar zijn werk bij de Nederlandse Spoorwegen is en haar kinderen in de tram naar school zitten. Lola snuffelt aan mijn plekje. Het ruikt nieuw voor haar. Ze heeft er nooit eerder ononderbroken kunnen snuffelen. Ze plast en verdrijft daarmee Bobs geur, of ze maakt het alleen maar erger. Haar bazin bekijkt de natte vlek en dan om zich heen. Ze haalt haar schouders op en trekt de teckel achter zich aan. Ze loopt wat sneller dan daarnet. Er valt weer een munt voor mijn voeten, vijftig cent deze keer. Ik kijk op, de vrouw lacht schuin en gaat er dan vandoor. Een euro en vijftig cent op één dag. ‘Ik moet vaker ergens anders gaan zitten’, grinnik ik tegen de gootput en ik hoest een droge lach.

Een klein meisje aan de overkant van de straat trekt aan haar vaders broekspijp en hij houdt zijn pas in. ‘Papa?’, haar stemmetje klinkt als een trambel, waarschuwend maar ook melodieus. ‘Waar is die meneer die hier altijd zit? Hier zit toch altijd die meneer, papa? Waar is hij?’ Haar vader aait over haar haar en zegt dat ik waarschijnlijk even boodschappen ben doen en ik vraag me af wat ik voor één euro vijftig zou kunnen kopen. De vader tilt zijn dochter op om verder te lopen. Over zijn schouder kijkt ze naar het raam waar ik altijd voor zat. Ik zie haar zoekende gezichtje weerspiegeld in de spiegelruit.

Ik ben als een gebouw. Pas op het moment dat het weg is, realiseer je je dat het er was.

Standaard