Amsterdams gebouw

Stilstaan (op de pont)

Elke dag ga ik met de pont naar mijn werk. Ik zie die pont als een gebouw en ik snap het als jij dat niet doet. Gebouwen staan doorgaans stil, en de pont beweegt zich voort: het is een van de duidelijkste verschillen. Maar soms beweegt de pont zo langzaam dat je nauwelijks het idee hebt dat hij beweegt. Vaak staat hij overigens wel stil, aan de waterkant. Net als ik.

De pont verschaft mij de tijd om stil te staan. Hij verplicht me stil te staan tot we in beweging komen, maar hij geeft me ook de tijd om stil te staan bij de tijdelijke bezetters van het gebouw. Naar sommige kort, naar andere langer. Als woon-werktrajecten gebouwen waren, ging ik van pand naar pand. En dan lekker naar binnen kijken.

Buiten de pont zie ik een vader en zijn zoon. Ze zitten op een ouderwetse fiets, een klassieke gazelle met dubbele stang. Ze lachen. De zoon uitbundiger dan zijn vader. Vader zit op het zadel, de jongen op het zitje op de stang. Vader laat zijn handen over het gezicht van zijn zoontje gaan: het ontroert me. Ik vul van alles in. De pont is een museum waar ik rond kan kijken en zelf bepaal wat ik van de stukken vind, en wat zij betekenen. Ik kijk naar de kunstwerken die mijn vluchtige medebewoners zijn. Twee vrouwen maken hun gezicht op. Voor me staat een vrouw in haar fiets. Ze heeft een zwarte spijkerbroek aan. De billen in de broek lijken precies op haar leren rugzak, met twee van die vakjes aan de zijkant. Ik heb geen idee van de inhoud van de tas, maar het vormt zich op precies dezelfde manier als het vlees van de billen in haar broek. Ik sta kort stil bij mijn constatering en besef dat die geenszins erotisch van aard is: ik kijk puur naar de overeenkomst tussen de vorm van haar lichaam en die van haar tas. Hierna ruik ik een natte hond, die ik niet zie. Twijfel even of ik het zelf ben.

Maar nee, mijn oog valt op een man met warrig haar en afwijkende kledij ten opzichte van de rest van de pontbezetters en denk: de pont is een gesticht. De man oreert, hij dicht, in een heerlijk Brits accent. Maar dan herken ik de tekst. Het ging zo:

Lying in my bed
I hear the clock – Tick – And,
I think of – you
Caught up
in circles, confusion
is nothing new
Flashback – warm nights,
Almost left behind?
Suitcases of memories,
Time
After time.

Ondanks dat ik weet dat het Cindy Laupers tekst is en niet de zijne ,raakt het me. Dan ga ik de pont af, morgen weer een dag.

Vandaag zie ik dezelfde man als gister, die van het zoontje op de stang. Zelfde tijdstip, zelfde pont, andere dag. Hij komt dit keer van de pont af en heeft geen zoontje bij zich, wel de fiets. Ik denk: hij heeft zijn zoontje net naar school gebracht, en zijn werk is aan deze kant van de pont. Ze waren gister wat laat of juist vandaag wat vroeg.
Waarom vul ik dit in? Hoe moeilijk is het om een tabula eens lekker rasa te laten?
Ik maak een spinnetje los van mijn stuur door zijn weblijn door te halen. Het is niet helemaal gelukt, want hij bungelt nog. Als ik definitief de verbinding met mijn fiets verbreek door het onzichtbare draad te grijpen, dwarrelt hij eerst nog even door de lucht om vervolgens op de grond neer te komen. Op weg naar een nieuwe plek. Ik heb meer het gevoel iets vóór hem te hebben gedaan, dan hem iets aan gedaan te hebben. Ik heb hem de tijd verschaft iets nieuws te ontdekken, in plaats van te settelen op het stuur van mijn fiets. Ik bedenk me dat ik weer aan het invullen ben. Wie ben ik om te bepalen wat goed is voor een spinnetje en zijn web?
Ik kijk op en weer om me heen. Als ik bijna uitgekeken ben, zie ik het onvermijdelijke gebouw opdoemen: kantoor.

Standaard