Amsterdams gebouw

Vallen

In de stad bestaat er niet zoiets als nachtelijk blauw. De lucht is zwart met een oranje gloed van straatlantaarns. Het is november en koud. Bovenop het roestgroene schip waar wetenschapsmuseum NEMO in huist, legt Laurens zijn hand op mijn been. En ik zwijg en wacht.

“Wist jij,” zegt hij, “Dat dit ontwerp helemaal niet bedoeld is als schip? Iedereen noemt het wel zo, maar dat is het dus helemaal niet. Die vorm,” hij tekent de omtrek van het NEMO met zijn andere hand in de lucht voor hem, “is bedoeld als een spiegeling van de IJ-tunnel.”
“Grappig,” zeg ik. De hand blijft waar hij is, de duim zachtjes strelend. De nacht is afwachtend stil. Er scheurt een taxi voorbij, te hard, maar het geluid blijft nauwelijks hangen. De hand brandt op mijn been.
Iets minder dan een jaar geleden zaten we hier ook, misschien een paar treden hoger. Mijn hoofd tegen zijn schouder, dichtbij zijn nek waar het naar Hugo Boss rook, zijn hand niet lafjes op mijn been maar stevig om me heen. Ik moest denken aan de cultuurreis naar Rome, in de vijfde van het VWO. Hoe ik over het Forum Romanum liep met een overijverige docent Latijn, tussen het puin en de ineengestorte gebouwen en dan ineens twee pilaren, die fier overeind naast elkaar stonden. Sterk. Samen.
“Ik moet zo gaan, geloof ik,” zegt Laurens. Hij kijkt op zijn horloge, een betekenisloze beweging maar ik voel de kou op de plek waar zijn hand net lag. Alsof ik daar nu naakt ben. Ik knik.
“Snap ik.”
Maar we blijven zitten, dicht tegen elkaar aan. Zoals toen is het al lang niet meer. Laurens’ pilaar bleef rechtop staan, maar die van mij zakte langzaam tegen hem aan, leunde op hem, wachtend tot hij zou bewegen. En toen hij dat eindelijk deed, een week geleden, begeleid door veel tranen en sorry’s, viel ik. En ik val nog steeds.
“Vertel nog eens wat,” vraag ik hem.
“Ik moet zo gaan.”
“Nog heel even.”
En Laurens vertelt. Over dat er, tegenover waar nu het Centraal Station ligt, tot 1795 een galgenveld lag. Over de Amsterdammers die er op zondag heen gingen om te kijken. Hij legt zijn hand terug op mijn been, waar hij hoort.
Na al Laurens’ sorry’s doen ineens de meest dagelijkse dingen pijn. Kleine snippertjes van een ander leven, een veilig, warm ‘ons’, dwarrelen de hele dag door mijn blikveld. Iemand die zijn merk sigaretten rookt. Fietsen langs het Picassobeeld in het Vondelpark, waar we deze zomer zo vaak zaten. ’s Nachts alle ruimte hebben in mijn tweepersoonsbed. Toen ik Laurens belde, kwam hij. Maar we zitten al een uur in de kou en nog steeds val ik.
“Goed.” Laurens schraapt zijn keel. “Nu moet ik echt naar huis.”
En ik knik weer en wacht. Wacht tot Laurens zich naar me toebuigt, me zoent, of tot in hemelsnaam die hand over mijn dijbeen glijdt en de warmte opzoekt. Tot hij vraagt of ik nog een keer met hem mee naar huis kom of tot hij roept dat hij een idioot is geweest om het te eindigen. Maar hij staat op.
Hij legt zijn hand op mijn schouder, zegt de dingen die je hoort te zeggen bij een afscheid. Ineens waait het, of misschien merk ik het nu pas. De kou wordt scherper, omsluit mijn blote enkels alsof ik mijn voeten in het IJ heb gehangen en drukt tegen mijn dunne spijkerbroek.
Laurens loopt de trap af. Ik blijf zitten bovenop het groene schip dat geen schip is, en ik denk, ik denk dat ik ben gestopt met vallen. Ik denk dat ik eindelijk iets hoor breken

Standaard