Amsterdams gebouw

Een blik op Amsterdam

Ik vertel niet graag waar ik sta. Er zijn hier al teveel toeristen, met hun foto’s, selfiesticks en de goedkope winkeltjes die erbij horen. Laten we het erop houden dat ik hier al lang ben. Lang genoeg om al generaties te zien komen en verdwijnen en de wereld te zien veranderen. Pas sinds een paar jaar weten anderen dat ook. Van buiten lijk ik nog jong. Er was flink wat onderzoek voor nodig om mijn ware leeftijd op waarde te schatten, die alleen aan mijn botten te zien is.

Niet dat mij dat iets uitmaakt. Ik blijf gewoon staan. Ik blijf gewoon kijken.

Tallozen leefden, vreeën en stierven in mij, en ik kan ze me allemaal nog herinneren. Van het dienstmeisje met het diepzwarte haar dat uiteindelijk erfgenaam van mij werd en wiens achterachterkleinkinderen naar het oosten werden weggevoerd tot de bebaarde hipsters van nu. Knullen met een hippe bril, een zwarte strakke broek en een overhemd dat net als vroeger helemaal tot de hals toe is dichtgeknoopt. Jongens die biologisch eten en hun lokaal gebrouwde biertjes instagrammen. Het is per slot van rekening niet niks, als ‘anders zijn’ je grootste uitdaging is.

Zo ging het. Ooit zag ik schillenboeren, stadsomroepers en paardentrams. Nu kijk ik uit over vespa’s, fixies en bakfietsmoeders. Al zag ik die laatste vroeger natuurlijk ook.

De ziekelijke drukte in de tweede helft van de negentiende eeuw staat me nog het meest bij. Er leefden zes gezinnen in mij, met elk tenminste vier kinderen. Ik was gewild. In en om elke ruimte werd gevochten. En ik zag koning alcohol zonder kloppen binnenstormen. Gefrustreerde vaders sloegen hun radeloze vrouwen en het geschreeuw en gekrijs dat daarbij hoorde klonk ook op bij al mijn buren. We waren stille getuigen van een orkaan van geweld in de verstikkende drukte van onze stad.

Wat een contrast was dat, honderd jaar later, toen je als hoogopgeleide dertiger met geen stok de stad in te slaan was. Je ging naar Almere, want daar kon je tenminste leven. Ik ben toen veel verhandeld. Voor prikkies ging ik van hand tot hand, maar ik bleef gewoon staan waar ik stond, ook al was ik lange tijd voor niemand een thuis. Even waren er krakers, mooi volk was dat, maar zij vertrokken toen het ‘zijn’ in Amsterdam weer aantrok. Almere bleek Almere.

Het duurde niet lang, de leegte. Niet op de schaal van mijn leven. Toch ben ik blij dat het voorbij is, want eenzaamheid is niks voor mij. Ik ben gebouwd voor drukte en gekte en gedoe. Ik kan niet tegen stilte.

Ik mag graag kijken naar mijn gekke hipsters. Met hun vloeren van verantwoord hardhout en hun gekke krukjes á 250 euro ‘t stuk. Met hun bindingsangst en hun altijd volle agenda’s. Met hun tatoeages en knotjes en gerecyclede truien.

Ondanks al die rare ideeën en gewoontes verschillen ze niet zoveel van de arbeiders uit 1800. Ze leven, ze vrijen en ze sterven in mij. En ik hoop dat dát nooit verandert.

Standaard