Scrabble

Kom op

Het linkerwiel van mijn rolkoffer blokkeerde. Rosa liep al ver voor me uit, fantastisch blond haar dat danste in de wind. Ze keek achterom en lachte.
“Steef, vamos!”
“Ja, ja.” Ik stak een duim omhoog. “Komt helemaal goed. Vamos.”

Ergens in juni belde ze me.
“Het is echt te lang geleden dat we samen weg zijn geweest.”
“Samen weg?” Ik kon me niet herinneren dat we ooit samen weg waren geweest.
“Ja, samen op vakantie. Ik heb een aanbieding gevonden, retourtje Varadero voor € 850. Doen?”
“Ik weet niet. Achthonderdvijftig euro?”
“I know, niet normaal toch?”
“Dat is best veel geld.”
“Maar het is een retourtje Cuba. Dat is echt weinig.”
Ik denk dat ze hoorde dat ik zuchtte.
“Je kan ook thuis blijven zitten en scrabbelen. Kom op, doe niet zo flauw. Echt een goede deal, hoor.”
Dus we gingen. Vierentwintig uur onderweg, wat die goede deal bleek een tussenstop in Moskou te hebben, en geen vervoer van het vliegveld naar het resort.

We liepen het hotel in, zij fris en ongekreukt als een stewardess en ik… Ik had geen idee hoe ik eruit zag, maar waarschijnlijk bezweet en bereisd. In de lobby zaten twee gasten die door hun zonnebril heen haar lange benen bewonderden.
“Bienvenudo, como estan?” zegt het meisje achter de balie.
“Hola, estamos bien, gracias. Tenemos una reserva en nombre de Rosa Kolk.”
Ik stootte haar aan. “Sinds wanneer spreek jij Spaans?”
“Ah joh,” ze gooide haar haren over haar schouder. “Je pikt hier en daar wat op.”
“Natuurlijk.”
We kregen de sleutel en Rosa drentelde naar de lift alsof ze hier elk jaar kwam. En ik schuifelde achter haar aan met mijn blokkerende rolkoffer.
“Vanavond moeten we echt uit,” zei ze in de lift.
“Ik weet niet hoor. Ik ben vet moe van de vlucht.”
Ze lachte. “Wil je dan liever de hele dag scrabbelen? Kom op. Slapen kan als je dood bent.”
Dus we gingen.

Ze bestelde cocktails in hoge glazen en goot me vol met redbull, tot ik stond te springen op de dansvloer. Later was ze ineens met drie gespierde types en klaagde ze over hoe saai het was.
“Zij kunnen ons ergens anders naartoe nemen,” zei ze met een onbegrijpelijke knipoog. “Que bonito.”
Ik volgde en liet me belagen door een van de jongens. We liepen een heel stuk het strand op tot we ergens waren waar het naar vuur en vuilnis rook. Rosa hing aan een gespierde arm en giechelde. Ik voelde me dronken.
De jongens haalde zakjes tevoorschijn uit hun broeken die zo strak zaten dat ik me erover verbaasde dat er überhaupt wat in de zakken paste. Er was wit poeder dat we van een autosleutel naar binnen snoven. Een van de jongens zette muziek aan op zijn telefoon. Mijn dronken hoofd werd nog duizeliger, in mijn oren ruiste en bromde het. Later werd iedereen serieuzer en kwam er nog iemand, iemand met een strandtas waar we onder geen voorwaarde in mochten kijken. Rosa maakte afspraken die ik maar half begreep en ik stond op een afstandje toe te kijken, bewegend op de muziek. Af en toe knikte ze me geruststellend toe.

De volgende ochtend vond ik bij het aankleden een wit pak onderin mijn koffer. Rosa was nergens te bekennen. Ik stopte het wat dieper onder mijn kleren en ging op zoek. Ze lag in het zwembad, fris en opgewekt.
“Ik ben lekker vroeg opgestaan,” zei ze. “Leek me wel verstandig, we hebben maar een weekje. Zullen we naar het strand?”
“Ik weet niet of ik daar zin in heb.”
“Ja, en we kunnen ook gaan scrabbelen. Kom op. We zijn in Cuba. Dan kunnen we er maar beter van genieten.”
Dus we gingen.

Standaard