Geboortekaartjes

Vloed, eb en vloed

Tot haar knieën staat ze in de kalme zee, haar handen strak gevouwen om een wit karton, de vingers om beurten tussen elkaar, alsof ze bid. Het karton ligt tussen haar handpalmen. Ze kijkt uit over het water dat dan weer blauw en dan weer groen lijkt te zijn, maar nooit lang genoeg dezelfde kleur houdt om te kunnen zeggen: ‘ja, dat is groen’, of: ‘het is zeker weten blauw’.

Kleine golfjes rollen tegen haar benen en slaan even verderop schuchter om. Een garnaal voelt aan haar tenen. Ze ziet of voelt het niet, maar opent voorzichtig haar handen, precies op het moment dat de garnaal zijn interesse verliest en verder scharrelt. Een kaartje ontvouwt zich, klam van haar zweet. Er staat een tekening van een dikke, ronde olifant op die de ‘O’ vormt in ‘Olaf’. Ze kijkt ernaar, knijpt haar ogen dicht en vouwt vervolgens haar handen weer samen.

De zee trekt zich terug en kabbelt nu nog slechts rond haar enkels. Rond haar voeten zijn kuiltjes ontstaan door de zuiging van heen en weer spoelend water. Een vissersboot vaart voorbij, keurig tussen een groene en rode boei door, waarvan de laatste als rustplaats gebruikt wordt door een meeuw en haar adolescente jong. Het jong bedelt, tikkend tegen de rode vlek aan de onderkant van de snavel van zijn moeder. Ze vliegt weg, en weer openen de handen van de vrouw zich. De vouw die over de ‘L’ heen zit is zo dik geworden dat alleen het horizontale streepje nog normaal zichtbaar is. Ze staart naar de olifant, die met een touwtje vastgebonden is aan de aarde, zodat zijn vleugeltjes niet het idee krijgen om ver weg te vliegen. Ze sluit haar handen en kijkt naar het punt waar het blauwgroene grijs van het water overgaat in het blauwe grijs van de lucht.

Als het water zijn keerpunt heeft bereikt staat zij op het droge. Er ligt een kokkel tegen haar hak, dik ingepakt door zeewier. In een poeltje drie meter voor haar sjouwt een heremietkreeft zijn schelp naar een nieuwe plek, vlak achterna gezeten door een jonge krab die zijn natuurlijke prooi nog moet vinden. Haar handen zijn wit van de spanning, aan elkaar vastgeklonken als twee verliefden op hun eerste vakantie samen.

Langzaam spoelen de eerste zoute golfjes weer over haar voeten heen. De zon is verdwenen achter aambeelden van wolken, die almaar hoger en hoger groeiend naderbij komen. Een leeg flesje Pepsi rolt achter de vrouw langs over het strand en stuitert tegen kleine duintjes omhoog, duintjes die bij een volgende windvlaag weer verdwenen zullen zijn. Even opent de donkere lucht zich nog en schittert de laagstaande zon in het gezicht van de vrouw, die haar ogen sluit en de eerste druppels verwelkomt door héél even haar gezicht omhoog te wenden.

De golven zijn hoger deze keer. Ze slaan druk tegen haar bovenbenen, als puppy’s bedelend om de aandacht. Een grote golf raakt haar handen, die ze optrekt en opent. Het karton ontvouwt zich slap, inmiddels bijna papier-maché door de combinatie van druk en zweet. Ze kijkt, leest en laat de hand met het kaartje zakken, het nog slechts vasthoudend met de toppen van haar vingers. Een volgende golf slaat het weg.

Standaard