Had je bij moeten zijn

Mensen met aandoeningen

Het is donderdagavond en ik zit in een bijeenkomst voor mensen met aandoeningen. Zo is er Willem, die regelmatig spontaan doch dwangmatig begint te masturberen wanneer de tune van Twee Voor Twaalf klinkt.

Een minimaal probleem, hoor ik u denken en ik moet toegeven, het is een gedachte die ik begrijp, ware het niet dat een aantal komiekelingen uit Willems directe omgeving op de hoogte is van het probleem en hem daar dan ook regelmatig gretig aan herinnert.

Ook aanwezig is Jozef, die net verteld heeft dat hij het niet kan helpen zich op feestjes voor te doen als succesvol Vlaams schrijver. Hij gaat dan bij Nederlandse vrouwen staan en zegt met een accent: ‘Gij ziet er zot uit, zot van mij zeker?’ Dan lacht hij en vervolgt: ‘Ik maak vast geen succes bij u, u merkt ik ben Vlaams en ik heet ook nog eens Jozef, toch niet de meest potente naam uit de geschiedenis.’ Daar kan hij dan meerdere kanten mee op. Vaak wordt de onvruchtbare vader van Jezus Christus, een nazi-voorman (en hierbij kan hij eenvoudig een bruggetje slaan naar een Vlaams cabaretier, uiteraard een kameraad) of een zogeheten cultheld van Feyenoord op ludieke wijze aangehaald. Ondanks de afwijkende schrijfwijze van de voornaam van laatstgenoemde, wat door Jozef gezien wordt als test voor de vrouw in kwestie. Want als ze dat weet, weet hij dat het goed zit. En zo niet, heeft hij vast wel iets anders om op door te gaan. Beffen, of zo, want dat kunnen alle schrijvers zo goed.
Dit alles om het feit dat hij weet dat Vlaamse schrijvers humoristen zijn en nog beter, omdat hij weet dat Nederlandse vrouwen vatbaar zijn voor Vlaamse humoristen die schrijven en zeggen goed te kunnen beffen. Het probleem? Hij kan niet stoppen. Hij heeft nu vier vrouwen en evenveel pseudoniemen maar geen enkel woord op papier, laat staan enig financieel gewin van zijn verzonnen professie en dat begint toch op te vallen.

Maar vooral is er Julia. Ondanks haar ontzettende aandoening, want je moet in mij je meerdere erkennen als je weet van haar probleem, dat vooral van invloed is op haar mentale toestand maar zich ook zeker niet inhoudt om haar voorkomen te voorzien van ernstige onvolmaaktheden. Voor mij is dat geen probleem, ik zit hier ook niet voor niets. Ik heb dan ook zojuist besloten na weken van anonieme aanwezigheid mijn naam bekend te maken en mijn probleem te vertellen. Dankzij haar durf ik.
Ik sta op, en zeg: ‘Ik ben Matthijs en ik had erbij moeten zijn. Ik ben er nooit bij. En natuurlijk, ik heb weleens geprobeerd om mee te gaan naar dingen, maar dan gebeurde er niks waar je bij had moeten zijn. Een week later kan ik niet, en ja hoor, je raadt het al, dan gebeurt er weer wat. Ik ben altijd degene die erbij had moeten zijn en het maakt me gek.’
De rest van de mensen met een aandoening heet mij persoonlijk welkom. Dan is het pauze.

Ik sta bij de koffie en koekjes en pak een biscuitje. Julia staat naast me. Ze zegt: ‘Weet je nog vorige week, toen er spritsen waren?’
‘Ik was er vorige week niet, Julia.’
Ze lacht.
‘Heb je zin om straks wat te gaan drinken?’
Ik zeg ja, ga mee en als ik een paar uur later naar huis loop, is er weer helemaal niks gebeurd.

Standaard