Fantasie

De fantasie van meneer Schmidt

Brutus, heb jij mijn zoon vermoord?’
‘Ja, Scorpio, ik heb je zoon vermoord.’
‘Bedankt daarvoor, Brutus. Je bent een echte held.’

Vanuit de zaal klinkt cynisch applaus van één man, waarop de twee acteurs halt houden ter illustratie van hun verbazing. De repetities zijn immers altijd besloten.

‘Ongelofelijk, wat overdreven. Als hier morgenavond in het hele theater ook maar iemand zijn lach kan inhouden, eet ik mijn hoed op,’ mompelt de toehoorder.

De gelaatsuitdrukkingen van de twee acteurs verraden hun mening over de brutaliteit van deze man. Hun uit een verzameling van tweedehands trouwringen bestaande maliënkolders rinkelen terwijl ze met stevige tred o p de man aflopen. Die neemt zijn hoed af, heft zijn armen de lucht in en danst drie rondjes om zijn as en verdwijnt pardoes. Zo, in de dunne lucht.

De mannen kijken elkaar aan. Wie is deze behoede man, omgeven door mysterie en wars van subtiliteit? En poef, ook zij zijn weg.

Ergens in een Noord-Afrikaanse woestijn rijdt een Jeep. Op de achterbank zegt een ontvoerd meisje, van wie de voorouders waren uitgenodigd om in dat land te komen werken omdat men geen andere uitweg zag, tegen een ander ontvoerd meisje, waarvan de ouders naar dit land waren gevlucht omdat ze geen andere uitweg zagen, dat ze zo geschrokken is.

Ze zegt: ‘Hij liet me echt schrikken. Mijn hoofd werd groenpaarsgeeloranje toen hij zo ‘pssssst’ deed.’
‘Overdreven,’ zegt de man, terwijl hij met twee vingers de rand van zijn hoed bevoelt.

De twee meisjes deinzen achteruit, de een tegen de linkerzijdeur van de Jeep en de ander tegen de ander. Gillend, met hun benen spartelend richting de man die ineens tussen hen in is komen zitten.

‘Ontzettend overdreven. Hou eens op met dat geschop,’ zegt de man met de zwarte hoed.

De chauffeur heeft de auto inmiddels abrupt tot stilstand gebracht en tovert een vuurwapen uit de rand van zijn spijkerbroek. De mysterieuze man doet zijn hoed af, heft zijn armen de lucht in en danst drie rondjes om zijn as. Pling, en weg is hij. Verward kijken de kidnapper en de meisjes naar de plek waar zojuist de man met de hoed heeft gestaan, waarna ook de meisjes verdwijnen alsof zij door een opperwezen uit het zanderige decor worden weggeplukt.

Twee vrouwen zitten op een parkbankje. Ze klagen over het weer, overtollig vet en het feit dat de ijscowagen zo ver lopen is. Op het moment dat de ene vrouw tegen de ander zegt dat ze zou willen dat de ijscowagen over het gras naar hun toe komen rijden, komt de ijscowagen ineens met een rotgang over het gras naar hun toegereden. Ze gillen om goden en slaan tig kruisjes, maar een poging tot wegrennen doen ze niet. Vlak voor de dames komt de wagen tot stilstand.

‘Erg overdreven,’ klinkt het vanuit het voertuig dat hen zojuist bijna van de sokken rijdt. ‘Twee bolletjes? Je bent tenslotte wat je eet.’

Tijdens de turbulente tirade van de twee corpulente klaagzangeressen doet de man zijn hoed af, gooit zijn armen de lucht in en danst drie rondjes om zijn as en laat de twee vrouwen verbouwereerd achter, totdat ze zelf ook in het niets verdwijnen.

In een fabriekshal in Rusland die niet meer wordt gebruikt voor het vervaardigen van vleesproducten, maar om stockfoto’s van industriële interieurs te maken, staat de man met de hoed achter een katheder. De loods is voor de gelegenheid voorzien van camera’s om mee te filmen, inclusief bijbehorende mannen.

‘Jullie zullen je wel afvragen waarom jullie hier allemaal zijn,’ zegt de man.

Voor hem staat een glazen kooi met daarin de twee meisjes naast elkaar in het midden, links de acteurs en rechts de zwaarlijvige vrouwen, die het driftigst knikken. Allen zijn met kettingen aan elkaar verbonden.

‘Het is altijd mijn fantasie geweest om twee families te vormen uit zeer willekeurige milieus en die tegen elkaar te laten strijden in een televisieprogramma. Jullie eerste opdracht is: vorm twee teams bestaand uit een man, een vrouw en een kind. Intussen wordt de kooi gevuld met water. Veel succes!’

Op een stoel in een zorghuis in Amsterdam schrikt een man van een hand op zijn schouder. Zijn broek is nat, maar hij ruikt zichzelf niet meer.

‘Meneer Schmidt, gaat het? U was weer aan het dagdromen, zo lijkt het. Kom, dan verschoon ik u even. Zal ik uw hoed weer opzetten?’

Standaard