Fantasie

Absurd groene gekmaker

Helemaal goed, je doet maar’, appte ik naar Wilona, waarna ik mijn telefoon op de grond smeet. Ik had gezegd dat ze nep was en ze stuurde terug dat ze me wel eens zou laten zien hoe echt ze was.

Tevreden leunde ik achterover. De zon droogde mijn huid uit en kleurde hem in. De tuin glimlachte me vriendelijk toe en de bloemen die ik water had gegeven dansten in een briesje. Ze slokten het verse, koude vocht op en keken me dankbaar aan, blij met dat beetje verkoeling in de zinderende hitte van augustus. Mijn glas liet ik balanceren op mijn knie en het walsende drankje camoufleerde tegen het tapijt van gras. Een hommel vloog loom voorbij, te lui om nectar uit de dansende plantjes te zuigen. Het gele vlindertje dat hem tegemoet vloog zwenkte naar rechts, bang voor een confrontatie. Het was ook veel te warm voor confrontaties.

Een kraai slaakte een kreet en het blauwgrijze elfje Marlientje stoof uit haar huis. Ze zwaaide met haar knuistjes en tierde tegen het zwarte gedrocht dat hij zijn kop moest houden, omdat ze haar slaapje hield. Of hij soms niet wist dat elfjes op hete dagen moesten slapen. Grinnikend luisterde ik naar haar gesnauw en ik verslikte me in mijn drankje dat brandde in mijn keel. Eigenlijk wilde ik zeggen dat ze zich niet zo druk moest maken, maar ik hield mijn mond en nam nog een slok absint. Mijn papillen stierven een smaakvolle en vreedzame dood.
Die Marlientje… ik wist wel beter; één keer sprak ik haar tegen en toen vond ik een dag later een berg dode, bloederige vliegen in mijn bed. Na haar relaas stiefelde het elfje weer naar binnen en ze gooide de deur van het paddenstoelenhuis hard dicht. Een stip viel van het dak en dat zette de trend van vandaag door.
Alles ging kapot: vanmorgen was er een stuk van de hoorn van Camille afgebroken en het schermpje van mijn mobiel was gescheurd toen ik het op de stoep gooide. Bovendien had ik de scherven van de twee vorige borrelglaasjes nog niet opgeveegd. Vroeger deed Willem dat, maar die was weg. De kabouter was acht maanden geleden vertrokken na een ruzie met de bever van de buren.
Groot gelijk had –ie; het wás ook gewoon een kutbever.
Toen ik mijn buurvrouw belde dat haar bever mijn Willem had weggejaagd, zei ze dat ik me niet zo moest aanstellen, dat Willem veel te klein voor me was en dat ik eens iemand van mijn eigen postuur moest zoeken. Om haar te pesten kocht ik Camille, een roze eenhoorn met paarse manen die door een foutje van de natuur balkte als een ezel. Tegen de tijd dat Camille klaar was met de dagelijkse 666 keer tegen de schutting bonken, stond de buurvrouw steevast als een keukenmeid te gillen.

Het gescheurde schermpje van mijn telefoon lichtte op. Toen ik bukte om het op te rapen gulpte er een golf absint overheen. Aan de foto zag ik dat Wilona nog steeds boos was; in haar hand had ze een pop, sprekend mij met rode ogen en blauwe haren. Bovendien miste het de linkervoet, net als ik. Mijn hysterische schaterlach verscheurde de krijsend hete lucht. Dacht ze nou echt dat ik in Voodoo geloofde? Achterlijke heks.

Standaard