Fantasie

Een jongensboek

We staan in de kantine, samen naast de sigarettenautomaat. De lange haren van Matthias van Hasselt liggen nat in z’n nek. In mijn hand een biertje van het merk dat groot op het bord boven de hoofdingang pronkt. Vergeelde elftalfoto’s aan de muur. Aan de bar bestelt iemand een broodje kroket.

Natuurlijk moet ik Matthias nu stevig ondervragen over zijn catastrofale misser in de laatste minuut. Iedereen op de tribune had gezien dat de hoek onmogelijk was, maar toch had hij op doel geschoten. Was het opportunisme geweest? Had hij niet gezien dat zijn teamgenoot, de grillige vaak trefzekere Belgische spits Jean Immens, er veel beter voor stond?
Of zit het misschien dieper en wil hij niet op deze manier kampioen worden?
De waarheid moèt boven tafel.
Maar ik zwijg. Over mijn lippen komt geen kritische vraag. Matthias kan ik niet aanvallen, ik ben hem te veel dank verschuldigd voor het jongensboek dat ik mag schrijven.

Dat ga ik even uitleggen.

Omdat voetbalboeken de enige boeken zijn waar je vandaag de dag als schrijver nog rijk van kan worden, volgde ik Matthias, een kreupele centrumverdediger van zesdeklasser VV Wageningen Vooruit, een jaar lang op de voet. Het boek is bijna af, de titel staat al in de najaarsbrochure: Het grootse plan van de laatste man.

Het was een intens seizoen. Na een beroerde start met exact nul punten uit 10 wedstrijden, begon VV Wageningen Vooruit aan een ongekende opmars. Dat lag niet aan nieuwe trainingsvormen of aan inspirerende peptalks van trainer Tjeerd Rooks, want die waren er niet. Nee, het succes vond zijn grondslag in het pact dat Matthias en Jean Immens, de grillige doch volgzame spits uit België, op een donderdagavond na de training hadden gesloten. Ik zag ze samen wegsluipen uit de kantine waar Jorrit Trouwens, de gelegenheidslinksback met politieke ambities, net begonnen was aan zijn speech over de miserabele staat van Nederland. Matthias had mij gewenkt mee te komen, en buiten fluisterde hij me toe dat het komende goed voor mijn boek zou zijn.

In het donker zaten we met z’n drieën in de dug-out bij het hoofdveld.
‘We moeten iets doen,’ zei Matthias. ‘Zoals het nu gaat, degraderen we met net zoveel punten als voorkeurstemmen voor Jorrit Trouwens, onze gelegenheidslinksback met politieke ambities.’
De grillige doch altijd goed luisterende Belgische spits, Jean Immens, knikte. Zijn kuif veerde in de wind.
‘Laten we in het vervolg alleen maar naar elkaar overspelen,’ ging Matthias verder. ‘Je hebt ploegen die vanuit tactisch oogpunt het middenveld overslaan, laten wij gewoon negen man overslaan.’
Ik moest lachen. ‘Dat gaat nooit werken, Matthias. We leven niet in de wereld van Sjakie met z’n wondersloffen. Je fantasie slaat op hol, zeg ik je. Op hol!’
‘Jij moet niet raar gaan lopen doen, schrijvertje,’ zei Matthias. ‘Jij hebt geen verstand van voetbal, daarom ben jij schrijver geworden. Met je pen.’
Jean Immens, de grillige doch vrede liefhebbende Belgische spits, zei ‘amai, komaan’ en stond op. Zwijgend liepen we door de koude nacht terug naar de kantine. Daar aangekomen dronken we een biertje of drie en lachten om het populistische gewauwel van Jorrit Trouwens, de gelegenheidslinksback met politieke ambities.

De eerste wedstrijd na het geheime dug-out-overleg werd er gelijkgespeeld. Jean Immens, de grillige doch gehoorzame Belgische spits, scoorde drie minuten voor tijd na een splijtende pass van Matthias. De vier wedstrijden daarna werden door het superduo gewonnen met respectievelijk 2-0, 2-0, 2-0 en 2-0. Het onwaarschijnlijke was gebeurd en na uitglijders van concurrenten WP’51 en Ozo Vortum lonkte na vijf winstvolle speeldagen zelfs het kampioenschap voor het troffeeloze VV Wageningen Vooruit. Er moest alleen nog maar gewonnen worden van de wisselvallige ZZP’er Boys, die ook eigenlijk liever op een andere dag wilden spelen dan de reglementaire zaterdag.

Op de middag van de kampioenswedstrijd zat ik naast Matthias in de kleedkamer. In de hoek, naast de douches, las Jorrit Trouwens, de gelegenheidslinksback met politieke ambities, in het Rode Boekje ter inspiratie. Andere spelers deden andere dingen om zichzelf op te peppen, maar dat was, zoals het hele seizoen al, onbelangrijk voor het verloop van dit jongensboek.
‘Hoe voel je je?’ vroeg ik als kritische voetbaljournalist aan Matthias.
‘Als een fokking winnaar,’ antwoordde hij. ‘Hier heb ik mijn hele carrière naar toegeleefd: eindelijk een hoofdprijs.’
‘En hoeveel laat je hem deze wedstrijd maken?’ vroeg ik en met mijn hoofd wees ik naar Jean Immens, de grillige doch lichtelijk zenuwachtige Belgische topscorer van de zesde klasse.
Matthias stond op, trok z’n aanvoerdersband recht, bekeek z’n kapsel een laatste keer in de spiegel en zei: ‘Het is tijd. Ik ga het veld op.’

Standaard