Kerst

Jasmijn

We tellen de dingen die al lang tussen de vissen hadden moeten liggen, Jasmijn en ik. Een lege Jack-Danielsfles. Een vergeten handschoen.

Maar het mooiste is de fiets die op zijn kant op het ijs ligt, midden op de gracht. Als Jasmijn de fiets ziet, stoppen we met tellen. Iets beters zullen we toch niet vinden.
We gaan op de kade zitten en kijken naar onze ontdekking. De kou van de stenen dringt door mijn spijkerbroek heen.
‘Hoe zou hij daar terecht zijn gekomen?’ vraag ik.
‘Gevlogen, denk ik. Hij was te eenzaam aan deze kant van het water en ging op zoek naar gezelschap. Maar hij stortte neer voordat ‘ie overkant haalde.’
‘Arme fiets.’
Jasmijn haalt haar schouders op. ‘Zo heeft zijn leven toch nog zin. Al is het maar voor ons.’
Ze frunnikt aan de uiteinden van haar sjaal, ik haal het miniflesje rum uit mijn binnenzak. We proosten bij gebrek aan glazen met onze vuisten tegen elkaar en drinken op de fiets, Icarus, de gevallen held. Eerst zij een slok, dan ik.
‘Weet je al waar je Kerst viert?’
‘New York.’
‘New York?’
‘Ja.’
Jasmijn is anders dan ik. Soms, als ik na dagen geen bericht bij haar langsga, tref ik haar in bed, gordijnen dicht, de kat die onrustig om mijn benen draait van de honger. Soms staat ze op zondagochtend nog voor het licht is bij mijn deur te zingen over de liefde, haar haren doortrokken van de geur van drank.
‘Hoe kom je daar dan?’
‘Sander, zo’n vriendje van me, hij is een beetje verliefd op me. Hij had me uitgenodigd en eigenlijk moet ik natuurlijk nee zeggen. Maar ja. New York.’
De rum gaat zonder moeite op. Het lege flesje stuitert op het ijs en glijdt langs de fiets, aan de overkant waggelen twee eenden beledigd snaterend weg.
‘Je kan altijd bij mij komen als je wil, als dat hele New York-plan niet lukt. Vorig jaar was toch ook leuk?’
‘Dat was omdat je zo bleef aandringen, niet omdat mijn plannen niet lukten.’
‘Weet ik wel.’
Het is geen mooie fiets die daar op het ijs lig. Roestig, met kapotte remkabels en een verbogen voorwiel. Deze fiets is achteloos verlaten omdat iemand besloten had dat hij hem niet meer nodig had, dat hij beter kon krijgen dan dit. Misschien is hij zelfs wel met opzet op het ijs gesmeten, om naar de bodem te zinken als de dooi eenmaal komt.
Jasmijn kent niemand die Sander heet.
‘Zullen we die fiets op de kant tillen?’
Ze schudt haar hoofd. ‘Laat hem maar lekker liggen. Het is zijn eigen schuld dat ‘ie daar ligt. Ik heb het koud.’
‘Laten we gaan dan.’
Ik help haar omhoog. Ze heeft gelijk, mijn handschoenloze vingers zijn stijf en rood geworden. We lopen terug, en de afstand tussen ons en de fiets op het ijs wordt steeds groter.

Standaard