Verhaal #524 • Afgesproken thema: Ezels

Tellen tot de donder klinkt

Ik had alleen mijn bikini aan toen ik dacht dat ik zou sterven. De regen sloeg tegen het plastic van de partytent en het klonk alsof de dood zelf aanklopte met duizend ongeduldige vingers. Het water liep in stroompjes tussen onze tenen door. Met zijn twintigen stonden we stijf op elkaar gepakt op dat enige beschutte stukje op het strand, terwijl de temperatuur nog steeds tropisch was. Toen sloeg de bliksem in.

Ik had ooit in de krant gelezen over een vliegramp boven de jungle, waarbij de slachtoffers zich twee weken in de wildernis in leven hadden moeten houden met regenwater en het vlees van hun medemensen. Ik zou degene zijn die rustig bleef, stelde ik me zo voor, degene die rationele beslissingen kon nemen terwijl iedereen in paniek was. Toen had ik mijn krant weggelegd en schoof ik mijn lasagne in de oven.

Op dat strand stootte de bliksem door mijn lichaam van mijn tenen tot aan mijn hoofd. Mijn tanden klapten op elkaar; bij het meisje naast me spatten de vonken van haar lichaam. Een oude man zakte op de grond. Zonder dat ik besefte waarom, was ik opeens weer een twaalfjarig meisje dat eigenhandig haar bedlampje wilde repareren. Bam. Met een schreeuw had ik de schroevendraaier laten vallen op het moment dat het hele huis donker werd.

Ik had net nog in de zee gelegen met een pina colada in mijn hand. Na twee weken had Cuba nauwelijks nog geheimen voor mij, dacht ik. Poseren bij een ouderwetse auto: check. Drinken uit een kokosnoot: check. Leren afdingen in het Spaans: check. Totdat ik plotseling onder een strandtent moest schuilen en ik dacht dat ik dood zou gaan.

“Doe je slippers aan!” riep iemand naar me. Zwijgend pakte ik ze aan. Lieve God, laat me niet doodgaan, ging het door mijn hoofd. Ik had nog nooit gebeden. Iemand anders riep dat we moesten tellen. Wanneer de tijd tussen donder en bliksem langer werd, trok het onweer voorbij. Vaag herinnerde ik me zoiets dus ik telde: flits, één tel, bam! Ik wil niet dood. Flits, één tel, bam! Flits, één tel, twee tellen, bam! Ik leefde nog.

De periodes tussen donder en bliksem werden langer en langzaam druppelden de feitjes die ik ooit over onweer had gehoord terug mijn hoofd in. Ga gehurkt zitten. Raak geen metaal aan. De oude man was op een stoel gehesen en praatte zacht; het getik van de regen verstomde. Over de weg achter de strandtent liep een fluitende jongen met een ezel, en trillend gaf ik aan mezelf toe hoe oppervlakkig het leven was. Het was niet veel meer dan een schuimlaag op de oceaan, die ieder moment door een golf uiteen kon worden geslagen. Ik liet me zakken in het natte zand.



Wie is Mirjam Brouwer?

Met de dag wordt het waarschijnlijker dat u van Mirjam heeft gehoord. Ze scoorde de derde plek in de Opium verhalenwedstrijd én haalde de longlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Hoogste tijd voor de volgende stap in haar reeds imposante carrière: een vaste plek bij Het Genootschap. En hoewel wij eigenlijk niet op zoek waren naar een nieuwe collega, landde haar open sollicitatie tóch op vruchtbare grond. Omdat je voor sommige talenten gewoon plek moet maken. En omdat ze beloofde elke week een cake voor ons te bakken. Noemen wij in de schrijverswereld een klassieke win-win situatie, maar dat stukje vakjargon mag u meteen vergeten. Enfin, show don’t tell, Mirjam. (JE / HdK) Check de Verhalenfabriek van Mirjam →
Standard