Nonchalant

Het slingeren van de sloopkogel

Elias was vijfendertig toen hij erachter kwam dat hij nooit meer terug kon naar zijn middelbare school. Er was een hek rond het gebouw gezet, overal hingen driehoekige borden en op het basketbalveld stonden machines die hij niet kon thuisbrengen.

Achter dat hek had Elias zes jaar gezeten. Hij was er begonnen met roken en ook weer gestopt, hij had er gevochten (meerdere malen), en hij had er beginnende borsten gevoeld (één keer). Na zijn diploma-uitreiking was hij er nooit meer binnen geweest.

Een groepje tieners slenterde voorbij het hek. Ze hadden een houding die Elias nog wel herkende: een mix van onzekerheid, geilheid en rebellie. Een van de jongens was achtergebleven en zat nonchalant op de stoep gehurkt met zijn telefoon in zijn uitgestrekte handen.
‘Kom, Casper!’, riep een meisje achterom. ‘Waarom ben je aan het filmen?’
‘Ik wil vastleggen hoe die kutschool plat gaat’, zei de jongen. ‘De dag dat de sloopkogel er doorheen ramt wordt de beste dag van mijn leven.’

Elias liep door want zijn moeder wachtte op hem. De gedachte aan de sloop van zijn school dreunde echter in zijn hoofd met de kracht van een heipaal die in de grond wordt geslagen.
‘Hoe is het?’, vroeg zijn moeder toen ze de deur had opengedaan. ‘Gaat alles goed op je werk?’
‘Evert heeft die promotie gekregen.’
‘Och, jouw tijd komt ook nog wel.’ Ze liep naar de keuken en Elias verbaasde zich over haar luchtigheid; het belang dat ze hechtte aan zijn carrière had hem vroeger vaak tot waanzin gedreven. Ze kwam terug met een dienblaadje waarop twee kopjes koffie en een suikerpot stonden, en vroeg: ‘Gaat alles goed op je werk?’

Een paar weken later stootte er een kogel tegen zijn oude school. Vanuit een hijskraan slingerde een onzichtbare bestuurder het ding met logge imprecisie richting het gebouw, waar het tegen een betonnen muur denderde. Elias bleef staan. Iets wat ooit een klaslokaal was geweest verkruimelde en de brokstukken stortten omlaag. In die hoek van het gebouw had hij vroeger Latijn gehad. ‘Puella, puellarum, puellam’, of zoiets dergelijks, hij had het ooit moeten opzeggen voor de klas. Hij kon die naamvallen nooit onthouden. Uiteindelijk had hij er maar een liedje van gemaakt, iets met ‘puellalala’, waar iedereen om moest lachen behalve de docent. Elias was dat Latijn na zijn schooltijd onmiddellijk vergeten. Hij grinnikte in zichzelf en liep toen weer door, want zijn moeder wachtte.

Net als veel oude mensen had ze een zekere kalmte over zich gekregen. Ideeën over de toekomst die altijd onvermijdelijk waren geweest, hadden nu plaatsgemaakt voor berusting; iets wat Elias voor zichzelf ook helemaal niet onaangenaam leek. Tegelijkertijd was hij voor die berusting zo bang als voor de dood.
‘Lukt het?’, vroeg hij toen zijn moeder met de koffie binnenliep. De lepeltjes rinkelden in hun kopjes door het trillen van haar handen, alsof het dienblad te zwaar voor haar was. Elias nam het van haar over.
‘De aftakeling is begonnen’, zei ze terwijl ze ging zitten. ‘Maar ach. Omnia mutantur, nihil interit.’
‘Hè?’
‘Ken je klassieken, Elias.’
De bovenbuurvrouw had hem een maand geleden gezegd dat zijn moeder soms een beetje gek deed. Ze zou geprobeerd hebben om de voordeur van de buurvrouw open te maken met haar sleutel, alsof ze verdwaald was in haar eigen flat. Wat een gekkigheid kon dat mens verzinnen.

Nadat hij zijn oude klaslokaal uiteen had zien vallen, duurde een tijd voordat Elias weer bij zijn moeder op bezoek ging. Af en toe verscheen er een filmpje van zijn school op Youtube, zodat hij vanuit zijn woonkamer kon volgen hoe de hoop puin waarin hij volwassen was geworden, langzaam maar zeker slonk. En toen opeens was zijn school er niet meer. Uiteindelijk vond hij de moed om weer terug te gaan, en zag wat er nog restte: een zompige vlakte waarin hij tot aan zijn kruin zou wegzakken als hij zo gek zou zijn om het terrein te betreden. ‘Pas op, drijfzand!’, stond er op waarschuwingsborden bij de hekken. Elias keek de andere kant op en deed net alsof zijn school er nog stond.

Ook toen hij weer in het huis van zijn moeder was, raakte hij de herinneringen aan het schoolgebouw niet kwijt. In gedachten ging hij de hal binnen, keek naar het bord waarop stond welke lessen er uitvielen en liep langs de conciërge waar je je moest melden als je ziek naar huis wilde.
‘Zet jij even koffie?’, vroeg zijn moeder. Elias schrok op en liep naar de keuken, maar toen hij de filters wilde pakken merkte hij een onmiskenbare gaslucht op. Vlug draaide hij de knop van het fornuis dicht die nog openstond.
‘Mam?’ riep hij.
‘Ja?’
Hij zette het keukenraam open en zei: ‘Niets, laat maar.’
Wat een waanzin dat hij nog steeds de weg kende in een gebouw dat niet meer bestond.

Standaard