Nonchalant

Als in een dagdroom

Haar ogen waren zo mooi dat hij er van uit ging dat ze allebei ooit een eigen naam hadden gekregen. De zon sprenkelde goudkleurige stipjes in het bruin rond haar gitzwarte pupillen terwijl ze dromerig het voorbij glijdende landschap bekeek.

Waar dacht ze aan? Had ze zijn aanwezigheid überhaupt wel door? Af en toe speelde er een flauw glimlachje om haar helderrode lippen. Helderrood, hij was gek op die kleur.

Met een kuchje probeerde hij haar aandacht te trekken, maar ze bleef naar buiten kijken. Dat glimlachje weer om haar lippen, iets meer nu. Kuiltjes leukten haar wangen op.
Hij probeerde te zien waar ze naar keek, maar zag alleen wat zij na hem zou zien. Twee paarden graasden in een wei verderop, ze zoefden er voorbij en zij zag ze nu ook. Haar pupillen verwijdden zich en haar glimlach werd breder.

Zijn jas rustte zwaar op zijn schoot. Zijn handen voelden zweterig, maar hij liet ze in zijn schoot liggen. Hij genoot er van om naar haar prachtige gezicht, omlijst met bruine krullen, te kijken en ondertussen over zijn zwaard te strelen. Een klein zwaard weliswaar, maar toch. Hij wist er raad mee en dat was veel belangrijker dan hoe groot het ding eigenlijk was.

‘Goedemiddag! Uw vervoersbewijs alstublieft!’ De conducteur klonk vrolijk en nu ze gaf haar OV-kaart aan de man, hij gaf hem glimlachend aan haar terug nadat hij had gecontroleerd of ze ingecheckt was. Toen de conducteur zijn chipkaart controleerde lachte hij nog steeds, maar minder uitbundig.
Het pasje verdween in zijn portemonnee en hij haalde er een stukje papier uit en schreef er zijn telefoonnummer op. Het moment was perfect, ze droomde niet meer maar keek naar hem. Hij stak haar het briefje toe en zei dat hij haar prachtig vond en dat ze hem mocht bellen als ze wilde.

Zijn glimlach betoverde hem. ‘Aardig van je’, klonk haar mierzoete stem. ‘Maar mijn vriend haalt me op van Utrecht Centraal.’ Ze sprak de woorden tegelijk uit met de conducteur die omriep dat het station de volgende stop van de trein was. De kuiltjes in haar wangen leken hem te bespotten.
Het vleugje teleurstelling slikte hij weg en hij stak het briefje weer in zijn zak, voor de volgende. Ze lachte nog steeds naar hem en hij lachte terug. ‘Oké, dan niet. Jammer dan’, antwoordde hij en hij haalde zijn schouders op. Het zwaard trok hij onder zijn jas vandaan en hij liet het lemmet door het vlees van haar hals glijden terwijl de trein afremde.
Helderrood, dezelfde kleur als haar lippen kleurde nu ook haar decolleté.

Standaard