Dezelfde beginzin

Versprekingen

Ze zeggen dat mannen met baarden gelukkiger zijn. Het staat op een bordje boven de open haard, waar vuur druk knisperend zijn weg door verse blokken eikenhout eet.

Eigen waard is goud haard… eh, eigen baard is goud waard, natuurlijk.’
De man die het zei zit naast me. Hij heeft een grote, witte, ronde baard. Er wordt gelachen. Het is een bende, in de kleine woonkamer, en het lage plafond lijkt de bende te verergeren. Om mij heen zitten zes mannen. Ze hebben allemaal gezichtshaar en ze zijn allemaal ongeveer hetzelfde. Wit en groot. Een paar hebben puntige baarden, anderen hebben ronde baarden. Aan mijn andere kant zit een man met een mooie punt.
‘Waarom heb jij zo’n baard?’ vraag ik.
‘Dat begrijp jij toch niet.’
‘Oh.’
Achter me hoor ik gegiechel.
Ongeveer een uur later is het huis leeg. De mannen zijn allemaal zingend vertrokken, naar hun werk, denk ik. Omdat ik me toch ergens mee bezig moet houden besluit ik dat het tijd is voor een middagdutje in één van de behoorlijk krappe bedden. Ik ga zitten op het bed om m’n schoenen uit te doen, maar beland op een persoon. Verschrikt spring ik omhoog. Nog een man met een baard, weer zo’n wit ding. Hij kijkt me slaperig aan en draait zich weer om. Een vlieg landt op z’n oor, hij laat het begaan. Ik twijfel even, en draai me weer om. Ik slaap wel op de bank.
Ik word wakker van genies dat het bakstenen huis van de drie biggetjes nog omver zou krijgen. Terwijl ik verschrikt omhoog veer knal ik met mijn gezicht tegen een van de mannen aan die met zijn gezicht boven me hangt. Door de klap valt de man naar achteren.
We hebben allebei pijn, al dempte de baard wel een beetje, maar ik ben de enige die het uit. Terwijl de man, er zit een rare deuk in z’n baard, overeind krabbelt struikelt hij nog een keer, waarbij ik hem probeer op te vangen. Lukt niet.
‘Sorry, sorry!’ zeg ik.
Er komt geen reactie. Hij kijkt me alleen lichtelijk geamuseerd aan. Ik word er een beetje zenuwachtig van. Om mezelf maar een houding te geven besluit ik dat het tijd is om het huisje een beetje te verkennen. Ik loop uit de woonkamer en de gang in. Ik loop nu de eerste deur voorbij, waar waarschijnlijk nog steeds geslapen wordt, en vind een deur verder een kamer vol zakken. Grote zakken die, op het oog, vol lijken te zitten met harde voorwerpen. De deur zat niet op slot. Mijn nieuwsgierigheid is onbedwingbaar. Langzaam maak ik een zak los, waarbij de knoop niet erg meewerkt. Ik pruts en doe. Door mijn gestuntel valt de zak om en schiet het touw eraf. Over de vloer rollen honderden glimmende steentjes, zo helder als glas. Ik pak er eentje op. Ik kijk er in. Diamanten.
Ergens achter mij hoor ik iemand roepen.
‘Sneeuwwitje, stetenijd, ik bedoel etenstijd!’

Standaard